Industrielinqs pers en platform levert als kennispartner voor de industrie een bijdrage aan een duurzame industrie. Dat doen we het hele jaar door met journalistieke producties en bijeenkomsten, zoals onze magazines Industrielinqs en Petrochem, verschillende nieuwssites, online talkshows, congressen, films en natuurlijk via social media.

Eén maal per jaar maken we de Industrielinqs Catalogus. Dit naslagwerk biedt al jaren een compleet overzicht van honderden leveranciers, opleiders, kennispartners en dienstverleners. Ook voor 2022 is dit complete naslagwerk uw gids voor de industriële delta.

We geven u bovendien een journalistieke blik op de toekomst dankzij een aantal artikelen over in het oog springende industriële trends. U leest onder meer:

  • Op de valreep van 2021 werd duidelijk dat de industrie een nog prominentere rol krijgt in de transitie naar een CO2-emissieloos energiesysteem. Daarmee lijken veel projecten die al in de steigers stonden, nu definitief op hun plaats te vallen. Tel daarbij absurd hoge gas- en CO2-prijzen op en het mag duidelijk zijn dat 2022 een scharnierpunt wordt voor de energietransitie.
  • Het is haast cynisch. De sectoren die tijdens corona-lockdowns als cruciaal worden gezien, kampen het meest met personeelstekorten. Denk aan de zorg, het onderwijs, maar niet te vergeten ook de industrie. Al decennialang klaagt de industrie over een dreigende krapte op de technische arbeidsmarkt. Vaak boden automatisering en efficiëntieslagen de nodige verlichting. Zal dat nu ook voldoende zijn?
  • Voor velen is het niet de vraag of er autonome fabrieken komen, maar meer wanneer. De technische vooruitgang gaat zo snel, dat steeds meer werk uit handen wordt genomen door digitale systemen. Zes trends maken de autonome fabriek mogelijk en het grootste deel is al begonnen.

Dit en meer vindt u in de Industrielinqs Catalogus 2022. Lees nu alvast digitaal!

Het jaar 2022 kan zo maar eens bepalend worden voor waterstof. Waarbij meerdere wegen naar Rome leiden. Bedrijven als Shell, RWE, Air Liquide en Uniper gaan de transitie van binnenuit aan. Andere zoeken het in nieuwe constructies. Denk aan chemiebedrijf Nobian dat onlangs met een partner HyCC oprichtte, speciaal voor waterstof. Er zijn ook new kids on the block. Spelers als Lhyfe, die de oude garde uitdagen in snelheid en het aantrekken van talent. 

Het was een cruciale vraag tijdens European Industry and Energy Summit 2021 afgelopen december. ‘Waar halen jullie de mensen vandaan’, vroeg Yolande Verbeek van energiebedrijf Uniper aan Luc Graré van het nieuwe waterstofbedrijf Lhyfe. In een jaar tijd groeide het nieuwe Franse bedrijf van vijftien naar tachtig medewerkers en momenteel worden vijf tot zeven nieuwe mensen per week aangenomen. Graré beantwoordde de vraag gretig: ‘Er is geen headhunter aan te pas gekomen’, stelde hij met enige trots. ‘Het gaat eigenlijk alleen maar via social media. Veel jonge hoogopgeleide mensen met een paar jaar werkervaring komen zoeken ons zelf op. Ze zeggen dat ze niet langer voor het oude systeem willen werken. Er zijn veel interessante vacatures in de olie- en gassector, maar veel jonge mensen, anders dan mijn generatie, zetten een hoog salaris en een auto van de zaak niet meer op één.’

Ze willen deel uitmaken van de transitie en verwachten dat ze meer impact hebben binnen nieuwe, ambitieuze bedrijven.Verbeek herkent het uit haar gesprekken met jonge mensen en zelfs haar eigen kinderen. Tegelijk stelt ze dat bedrijven als Uniper ook in transitie willen en moeten gaan. En daar zijn ook voldoende mensen voor nodig. Nog steeds is het bestaande systeem doorslaggevend voor bijvoorbeeld de betrouwbaarheid en de leveringszekerheid van energie. Volgens haar zijn beide partijen nodig, de oude partijen die moeten veranderen en de nieuwe bedrijven die zonder erfenis en verantwoordelijkheid om nu te leveren kunnen ondernemen.

Elke hoek

En ja, de ambities van Lhyfe zijn gewoon aantrekkelijk. Net als de daadkracht. Het bedrijf, een paar jaar geleden opgericht in Frankrijk, wil sneller dan anderen investeren in de productie van groene waterstof. Te beginnen in Frankrijk, Duitsland, maar ook Nederland, België, Denemarken en vervolgens steeds meer Europese landen. Inmiddels heeft Lhyfe al een mandaat gekregen van verschillende investeerders om 0,5 miljard euro te steken in het bouwen van installaties. Waar de meeste partijen nog bezig zijn met vergunningsprocedures en investeringsbeslissingen, heeft Lhyfe sinds afgelopen zomer al een installatie in productie in het Franse Saint-Nazaire. Daar is een elektrolyzer direct verbonden aan vier windturbines en wordt zeewater gebruikt voor de productie van waterstof.

‘Veel jonge mensen zetten een hoog salaris en een auto van de zaak niet meer op één.’

Luc Graré, international business Lhyfe

Het vermogen is misschien nog niet heel groot, twee megawatt, ‘maar we hebben hiermee wel de eerste stap gezet’, stelt Graré. De vervolgstappen volgen snel. Het plan is om de komende jaren overal in Europa grotere installaties neer te zetten. ‘In Duitsland ontwikkelen we momenteel elf productielocaties met vermogens tussen vijf en iets meer dan honderd megawatt. Die moeten in 2025 allemaal in gebruik zijn. We denken dat we dan elke hoek van dat land van groene waterstof kunnen voorzien. Datzelfde zijn we van plan in Nederland, waar we mogelijk voldoende hebben aan drie of vier fabrieken. België en Denemarken en ook andere Europese landen zullen volgen.’

Elan

Het gaat eerst om fabrieken op land. Maar om straks de levering van groen waterstof aan verschillende klanten in Europa verder op te voeren, kijkt Lhyfe vooral richting de zee. ‘De grote hoeveelheden gaan we straks offshore produceren.’

Ook op dat vlak is het bedrijf bezig met de eerste stap. Rond september dit jaar wil Lhyfe als eerste in de wereld waterstof op zee produceren. Op een drijvend platform, zo’n 26 tot 30 kilometer van Saint-Nazaire in de Atlantische Oceaan, direct verbonden met een drijvende windturbine. ‘We weten dat verschillende partijen, zoals Poseidon in Nederland, hier ook mee bezig zijn. Maar die richten zich op 2025 en later. We vragen ons oprecht af waarom het zoveel tijd moet kosten. Doordat we drie jaar voor lopen op de rest hebben we meer tijd om te experimenteren en kunnen we ook onze snelheid houden in de toekomst.’ Het is met een elan dat veel jonge mensen sowieso zal aanspreken.

lhyfe

Lhyfe heeft sinds afgelopen zomer een installatie in productie in het Franse Saint-Nazaire, waar een elektrolyzer direct verbonden is aan vier windturbines en zeewater wordt gebruikt voor de productie van waterstof.

Competenties

Wellicht heeft de aantrekkingskracht voor jonge mensen voor Nobian ook meegespeeld toen het chemiebedrijf samen met de Green Investment Group de Hydrogen Chemistry Company (HyCC) oprichtte. Sowieso denkt het bedrijf dat transitie, met name op het gebied van waterstof, om een andere aanpak vraagt dan veel bestaande bedrijven gewend zijn. ‘De projecten die we gaan doen, vragen om een andere snelheid, cultuur, financiering en competenties om ze tot een succes te maken’, stelde Marcel Galjee, managing director van HyCC, onlangs in De Volkskrant. ‘Nobian is al marktleider op het gebied van elektrolyse voor de productie van groene waterstof. We hebben veel groene elektriciteit nodig en daarvoor staat de Green Investment Group bekend. Wij leveren de technologie, onze competenties komen samen bij HyCC.’

Hydrogenering

Belangrijk zal ook geweest zijn dat de Green Investment Group fondsen binnenbrengt. Nobian lijkt te klein om de enorme investeringen die waterstof vraagt volledig uit eigen kas te betalen. Partijen als Shell en RWE hebben die omvang wel en kondigen ook investeringen aan. Zo heeft RWE op de valreep van 2021 de eerste milieuvergunning binnen van de Provincie Groningen voor de bouw van een groene waterstoffabriek met een vermogen van vijftig megawatt in de Eemshaven. Voor de levering van waterstof aan BioMCN en Evonik. Als chemische bouwsteen voor onder meer de productie van methanol.

‘Doordat we drie jaar voor lopen op de rest hebben we meer tijd om te experimenteren.’

Luc Graré, international business Lhyfe

Maar ook HyCC lijkt inmiddels zover. In januari ontvangt ook dit bedrijf een milieuvergunning voor de Djewels 1 op Chemie Park Delfzijl. Die fabriek gaat ook aan BioMCN leveren en krijgt een capaciteit van twintig megawatt. Het plan is echter om snel met veertig megawatt uit te breiden in Djewels 2. Deze waterstof is straks bedoeld voor SkyNRG dat op een synthetische manier vliegtuigbrandstof wil produceren in Delfzijl. En er staan nog grotere investeringsprojecten op de rol voor HyCC. Waarbij H2ermes in IJmuiden zo maar in een stroomversnelling kan raken door recente ontwikkelingen bij toekomstige afnemer Tata Steel. Daarbij gaat het om een elektrolyzer van honderd megawatt. Maar het kan nog groter. Bij het project H2-Fifty in de Rotterdamse haven gaat het om een waterstoffabriek met een vermogen van 250 megawatt. Die installatie moet straks groene waterstof leveren aan BP voor de hydrogenering van brandstoffen.

Slagveld

Met de oprichting van HyCC lijkt Nobian extra snelheid te maken door in zee te gaan met een kapitaalkrachtige partner. Wellicht is het bedrijf ook wendbaarder en kan het zodoende net als Lhyfe gemakkelijker extra kapitaal aantrekken.

Qua imago zal het ook helpen. Bij potentiële investeerders en zeker als het gaat om het aantrekken van jonge professionals. Want de transitie kan zo maar een slagveld worden voor talent. Er is al krapte en het zal steeds moeilijker worden om jonge mensen te binden. Elan en zichtbare impact lijken daarbij doorslaggevend. Dan lijken jonge ambitieuze bedrijven momenteel toch in het voordeel.

Bijna 950 duizend werknemers deden in 2020 naar eigen zeggen vaak of altijd gevaarlijk werk. Naast koks, politiepersoneel en brandweerlieden geven vooral werknemers met een technisch, transport of logistiek beroep aan dat hun werk gevaarlijk is. Van de werknemers die frequent gevaarlijk werk doen had ruim 9 procent een arbeidsongeval. Dit blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), die in het laatste kwartaal van vorig jaar werd uitgevoerd door het CBS en TNO.

In 2020 zei 12,8 procent van alle werknemers van 15 tot 75 jaar vaak of altijd gevaarlijk werk te doen. In pre-coronajaren 2018 en 2019 was dit bijna 16 procent. Van alle werknemers kwam 14,4 procent tijdens het werk een enkele keer in een gevaarlijke situatie terecht. Bij de overgrote meerderheid (72,7 procent) was dit nooit het geval. Mannen doen vaker gevaarlijk werk dan vrouwen. Zo deed in 2020 17,5 procent van de mannen vaak of altijd gevaarlijk werk. Bij vrouwen was dit 7,7 procent.

Top 10

In de top-10 van gevaarlijke beroepsgroepen staan vooral beroepen in de techniek, transport en logistiek. Toch zijn het de koks die van alle beroepsgroepen het meest aangeven dat zij tijdens hun werk vaak of altijd te maken hebben met gevaarlijke situaties. In de periode 2018-2020 ging het om bijna 6 op de 10 koks. Vrachtwagenchauffeurs, procesoperators, buschauffeurs, trambestuurders, politiepersoneel, brandweerlieden en bouwarbeiders in de afbouw (waaronder bijvoorbeeld dakdekkers), geven in ruim de helft van de gevallen aan vaak of altijd gevaarlijk werk te moeten doen.

Arbeidsongeval en verzuim

Werknemers die aangeven vaak of altijd te maken te hebben met gevaarlijke situaties op het werk, hebben ook relatief vaak een arbeidsongeval met lichamelijk letsel of geestelijke schade. In 2020 was 9,3 procent van hen slachtoffer van een arbeidsongeval. Bij werknemers die nooit gevaarlijk werk doen was dat 1,0 procent. Werknemers met gevaarlijk werk verzuimen ook vaker als gevolg van een arbeidsongeval. Van de werknemers die vaak of altijd gevaarlijk werk deden was 4,5 procent slachtoffer van een arbeidsongeval dat leidde tot minimaal één dag verzuim. Bij werknemers die nooit gevaarlijke werkzaamheden uitvoeren was dit 0,5 procent.

‘Na mijn studie ging ik op zoek naar een bedrijf waar ik wilde werken. Een bedrijf dat mijn visie en drive deelt en bewust en actief bezig is met verduurzaming. Daar wil ik bij horen, daar hoor ik thuis. Met een open sollicitatie koos ik voor Neste. Maar misschien koos Neste, met haar missie en visie, al wel eerder voor mensen zoals ik’, stelde young professional Tes Apeldoorn onlangs in haar talk bij ons jaarevenement Deltavisie 2021. Het klinkt haast mystiek, maar eigenlijk is het heel logisch…

De hele column van Wim Raaijen lees je in de digitale editie van Industrielinqs magazine!

Hij is directeur industrie bij Koninklijke BAM Groep en daarnaast, sinds juni 2019, voorzitter van de VOMI, branchevereniging van dienstverlenende ondernemers in de procesindustrie. Vanuit beide rollen ziet Jeroen Maan dat het tijd is voor een omslag. ‘Opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten meer samen en naast elkaar gaan werken. We hebben te lang een Calimero-pet op gehad. Die moet af.’

Koninklijke BAM Groep viert dit jaar haar honderdvijftigste verjaardag en de Vomi bestaat 35 jaar. Beide organisaties beschikken over een schat aan kennis en ervaring. ‘Toch zijn we lange tijd te bescheiden geweest’, denkt Jeroen Maan en wat hem betreft gaat daarin iets veranderen. ‘Het vorige Vomi-bestuur heeft al een flinke stap in de juiste richting gezet. Er is een aanzet gemaakt naar meer gelijkwaardigheid en efficiëntere samenwerking, vooral op managementniveau. Kunnen we dit versterken en uitbreiden naar de werkvloer? Daarnaast willen we ervoor zorgen dat we minder praten en meer impact maken.’

Gelijkwaardigheid

Maan hoorde onlangs iets dat hij behoorlijk stuitend vond. ‘Een asset owner gaf ruiterlijk toe dat zij ooit waren begonnen met uitbesteden van werk aan aannemers, omdat ze eigen medewerkers niet wilden blootstellen aan de gevaren. Schokkend toch?’ Het gaat hier wel over vele jaren terug en gelukkig is de verstandhouding en de gelijkwaardigheid in de afgelopen jaren sterk verbeterd. ‘Er zijn veel bedrijven die aangeven dat het echt niet uitmaakt welke kleur overall je draagt, het werk moet immers samen worden gedaan. We merken het bijvoorbeeld aan de veiligheidscultuur. Kun je elkaar over en weer aanspreken over veiligheidsissues? Daarin is wel wat verbeterd, maar we zijn er nog niet.’

Om dit onderwerp – samenwerking in gelijkwaardigheid tussen opdrachtgever en opdrachtnemer op het gebied van veiligheid – bespreekbaar te maken, is de Vomi Safety eXperience Award in het leven geroepen. ‘Deze wedstrijd geeft ons handvaten om met opdrachtgevers in gesprek te gaan. Wat gaat goed en wat kan beter op het gebied van bijvoorbeeld incident-opvolging, meer eenduidigheid in veiligheidsbeleid en de veiligheidscultuur op de werkvloer? Natuurlijk willen we leren van succesverhalen en goede voorbeelden.’

Safety

Het verbeteren van de veiligheid was, is en blijft een van de belangrijkste speerpunten van de Vomi. Maan: ‘Met de Vomi willen we kennis bundelen en delen en dit inzetten om de veiligheid te verbeteren voor zowel onze leden als onze opdrachtgevers. Hiervoor zijn onder andere de Safety eXperience Award en de Vomi Safety Day in het leven geroepen. Verder is de Vomi betrokken bij de realisatie van de RDM Training Plant.’ Het primaire doel van deze Rotterdamse oefenfabriek is om toekomstige en huidige medewerkers in de procesindustrie te trainen om zo efficiënt mogelijk en volgens de hoogste en meest actuele veiligheidseisen te werken. ‘Hier is door zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers in geïnvesteerd, maar iedereen lijkt op elkaar te wachten. Asset owners met een eigen safety center houden deze nog altijd in stand, terwijl er een idee lag om op de RDM plant een soort basisveiligheidsopleiding te verzorgen rond uniforme veiligheidsregels. De aannemers zeggen ‘ja doen’ en de asset owners zeggen ‘dat moet eerst intern worden overlegd met ons management’ en vervolgens komt het niet voor elkaar.’ Maan vindt deze stroperigheid jammer, want hij gelooft in dit idee. ‘Ook in de toegevoegde waarde voor de asset owner. Hij is erbij gebaat als de poortinstructie kwalitatief beter, efficiënter en uniformer kan worden doorlopen.’

Gewoon doen

Maan benoemt in dit kader ook het idee voor het safety paspoort. ‘Ook zo’n mooi initiatief waarmee de veiligheid alleen maar kan worden verbeterd, maar waarover we blijven praten. We willen minder praten en meer impact maken.’ In een andere branche, de bouw, is bijvoorbeeld de Generieke Poortinstructie (GPI) geïntroduceerd. Sinds 1 april 2019 is de GPI verplicht op alle bouwplaatsen in Nederland. Het initiatief richt zich op het verhogen en stimuleren van veiligheid en veilig gedrag op bouwplaatsen. Maan beaamt dat dit nog niet werkt, zoals het moet werken. ‘Er wordt nog beperkt naar gevraagd en er wordt nauwelijks gehandhaafd. Wat me wel aanspreekt is dat ze het gewoon doen. In de industrie willen we iets pas implementeren als we heel zeker weten dat deze maatregel of procedure helemaal goed is. In de bouw implementeren ze sneller en daarna verbeteren ze. Van beide werkwijzen is iets te zeggen. Ik zou willen gaan voor een gulden middenweg.’

Jeroen Maan: ‘Kun je elkaar over en weer aanspreken over veiligheidsissues?’

Maan vraagt zich hardop af wat er zou gebeuren als de dienstverlenende bedrijven niet langer afwachten, maar gewoon doen. ‘Stel nu dat we met 36 contractors een safety straat gaan opzetten, die beter is dan welk safety center dan ook en stel nu dat we het safety paspoort gewoon gaan implementeren… Daar kunnen toch alleen maar goede dingen uit voortkomen?’

Samen verbeteren

Deze nieuwe stoot energie binnen de Vomi is enerzijds het gevolg van een nieuw en verjongd bestuur – niets ten nadele van het vorige bestuur – en anderzijds een antwoord op veranderingen in de industrie. Maan: ‘Fabrieken worden opgevoerd qua efficiëntie, worden ouder en ondertussen ebt de technische kennis steeds verder weg. Hoe kunnen wij als dienstverleners meedenken over oplossingen?’ Een voorbeeld: procesoperators zitten nu vaak binnen, achter de schermen om vanaf daar het proces te monitoren. De contractor loopt wel buiten. ‘Eigenlijk zijn wij levende sensoren. We zien, horen, ruiken, voelen maar omdat we niet altijd weten wanneer sprake is van een afwijkende situatie, kunnen wij niet als zodanig worden benut.’ Maan benoemt het processsafety-handboek voor medewerkers van Bilfinger. ‘Voor deze medewerkers starten met een project, weten zij op welke signalen zij moeten letten. Wat kan er verkeerd gaan? Wat zijn de veiligheidsrisico’s. Zo heeft een contractor voor de opdrachtgever duizenden extra ogen en oren beschikbaar in de fabriek.’

In dit kader vindt Maan dat er ook vaker gesproken zou moeten worden over innoveren. ‘Als we als contractors iets bedenken waarmee we kunnen optimaliseren, waarmee het sneller en slimmer kan, dan snijden we onszelf in de vingers, omdat we dan minder betaald krijgen.’ Volgens Maan moeten we nadenken over andere contractvormen en andere manieren van samenwerken. ‘De opdrachtgever wil namelijk graag dat we innoveren, hoewel de marges hiervoor flinterdun zijn. Daar zit dus een paradox.’

Arbeidsmarkt

Een ander thema waar Maan samen met het Vomi-bestuur graag de tanden in zet, is de krapte op de arbeidsmarkt. ‘We hebben nu wel vastgesteld dat die er is. De vraag is hoe we hier mee om gaan.’ Een van de uitdagingen op dit vlak is om het imago van deze industrie te verbeteren. Volgens Maan moeten we de samenwerking opzoeken om de industrie met een integrale aanpak beter op de kaart te zetten. ‘Daar hebben we naast de asset owners ook FME en de media voor nodig. FME heeft initiatieven waarmee ze basisschoolleerlingen al voorzichtig voorbereiden op werken in de techniek. Dat stukje laat ik graag aan hen over. Maar wat kunnen wij vanuit de praktijk bijdragen?’

Het gaat bij dit vraagstuk ook om hele praktische oplossingen. Zo moet je, om in de procesindustrie te mogen werken, achttien jaar oud zijn. ‘Jongeren zijn echter op hun zestiende klaar met school. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we ze niet kwijtraken? Volgens mij moeten we ze al vroeg de mogelijkheid bieden om al wel te kunnen trainen. Niet in de echte fabriek, maar met virtual reality of met behulp van een digital twin.’ Daarnaast moet er een lobby worden opgestart richting Den Haag. ‘Die leeftijd moet omlaag en dankzij nieuwe technologieën kan dit wellicht ook, zonder dat we een gevaarlijke situatie creëren.’

Jeroen Maan: ‘De opdrachtgever wil graag dat we innoveren, hoewel de marges hiervoor flinterdun zijn.’

Een andere praktische oplossing is een betere onderlinge afstemming door asset owners met turnarounds. ‘We begrijpen dat ze dit tegelijk willen doen want waar de ene fabriek stil staat, gaat dit ten koste van de feedstock van de ander. Met de huidige personeelstekorten zullen we als sector in gesprek moeten gaan over planning en realiteit.’

Calimero

Toegegeven, er ligt een stevige uitdaging voor het Vomi bestuur om op al deze vlakken impact te gaan maken. Maan: ‘We zetten de lijn die door onze vorige besturen is ingezet voort. Zij hebben gestreden voor acceptatie. Kijk ons en zie ons als gelijke. Een belangrijke stap.’ Maan zou graag een stap extra zetten: ‘Kijk ons en wordt geïnspireerd om ons te volgen.’ Om dit te kunnen realiseren moet allereerst dat Calimero-effect om zeep worden geholpen. ‘We hebben ons te lang onder de asset owner geplaatst. Daar moeten we echt mee stoppen. We staan er sowieso naast en op sommige vlakken lopen we voorop en kunnen wij met onze specifieke kennis en kunde absoluut bijdragen om niet alleen de dienstverlening te optimaliseren, maar ook het proces en de sector zelf.’

Het bestuur is gecommitteerd en volgens Maan staan ook de leden in de activeringsstand. ‘Dat moet ook, want we hebben iedereen nodig. Niet alleen aan de kant van de contractors, maar ook aan de zijde van de opdrachtgevers. Als je echt impact wilt maken, dan is samenwerken een absolute voorwaarde. Alleen dan maak je het verschil.’

Volgens ondernemers in de industrie loopt het tekort aan personeel op. Aan het begin van het vierde kwartaal van dit jaar meldde bijna zestien procent van de industriebedrijven dat personeelstekort de productie belemmert. Sinds de start van de conjunctuurmeting in 1985 lag dat aantal niet zo hoog. In de industrie werken bijna negen procent minder mensen dan in 2005, terwijl de sector steeds verder vergrijst. Dit meldt het CBS op basis van nadere analyse van cijfers.

Het opgelopen personeelstekort valt samen met een toegenomen vraag: het percentage bedrijven dat een tekort aan vraag als belemmering ervaart, ligt namelijk op het laagste punt sinds eind 2008. Met het gestegen personeelstekort en de hogere vraag naar hun producten stijgt het aantal vacatures in de industrie: sinds het derde kwartaal van 2008 stonden er niet zoveel vacatures open. Per duizend banen van werknemers waren er aan het eind van het derde kwartaal 23 vacatures. Bij de chemische, aardolie-, farmaceutische, dranken- en schoenenindustrie is het personeelstekort minder nijpend: 1,5 tot vijf procent van de bedrijven heeft te weinig personeel.

Grootste personeelstekort in machine-industrie

Binnen de industrie knelt het personeelstekort het meest bij bedrijven die werkzaam zijn in de machine-industrie en de reparatie en installatie van machines. Aan het begin van het vierde kwartaal zat bijna een kwart van de bedrijven in deze branches verlegen om personeel.

In de bouwgerelateerde industriebranches neemt het personeelstekort snel toe. Het aantal bedrijven dat een personeelstekort meldde steeg tussen het derde en het vierde kwartaal van twaalf naar negentien procent. In de meubelindustrie steeg het aantal bedrijven met personeelstekort ook fors: van dertien procent in het derde kwartaal naar twintig procent in het vierde kwartaal.

Personeel industrie meer vergrijsd

De werkgelegenheid in de industrie daalde tussen 2005 en 2016 met 8,9 procent: van 873 duizend naar 795 duizend banen. De afgelopen jaren vergrijsde de beroepsbevolking in de industrie relatief sterk: het aandeel 45-plussers groeide van 36,3 procent in 2005 naar 51,1 procent in 2016. Vooral de groep werkenden van 55 tot 65 jaar nam fors in aandeel toe, van 11,2 naar 19,9 procent.

Niet alleen in de industrie vergrijsde de beroepsbevolking: in dezelfde periode steeg het aandeel 45-plussers in de werkzame beroepsbevolking als geheel van 35,0 naar 43,7 procent.

De meest vergrijsde branche binnen de industrie is de chemische industrie: 60,4 procent van de werkenden was hier in 2016 45 jaar of ouder. De farmaceutische industrie is het minst vergrijsd: 57,9 procent van de werkenden was in 2016 nog geen 45 jaar. Voor de totale werkzame beroepsbevolking geldt dat 56,3 procent in 2016 jonger was dan 45 jaar.