De industrie moet wat CDA-politicus Henri Bontenbal betreft weer op het politieke netvlies komen. En dan het liefst via een groene industrieagenda. Maar dat betekent ook dat er complexe knopen moeten worden doorgehakt. ‘De discussie gaat nog teveel over wat men allemaal niet wil’, zegt Bontenbal. ‘Terwijl de politieke discussies vooral moeten gaan over de energiemix waar we wél mee kunnen leven.’

De Tweede Kamer is niet heel dik bezaaid met bèta’s en dat kan de discussie rondom de energie- en grondstoffentransitie best nog wel eens in de weg zitten. Gelukkig zijn er ook uitzonderingen. Henri Bontenbal zit weliswaar tijdelijk in de Kamer als vervanger van Harry van der Molen, maar vormt al langer het energie- en klimaatgeweten van het CDA. De natuurkundige is al snel geneigd even een spreadsheet er bij te pakken wanneer de discussie over energie gaat. ‘Veel van de energiedebatten gaan eerder over beeldvorming dan over de daadwerkelijke beleidskeuzes’, zegtpol Bontenbal. ‘Men heeft het al snel over groene waterstof als oplossing voor alles of men serveert CO2-opslag, biomassa en kernenergie af als opties, terwijl we weten dat we eigenlijk alle opties nodig hebben. Als je de getallen erbij pakt, zie je dat groene waterstof voorlopig schaars is en duur, en dat we dus ook andere opties zoals blauwe waterstof en CO2-opslag nodig hebben. Maar ook de discussies rondom bijvoorbeeld biomassa gaan vaak meer over emoties dan over de harde cijfers. Om de achterban tevreden te houden, praat men al snel de kritische burger naar de mond zonder het eerlijke verhaal te vertellen. En dat is dat er geen free lunch is. Op de postzegel die Nederland is, heeft iedere keuze zijn keerzijde: windturbines nemen nu eenmaal schaarse ruimte in, net als zonneparken en biomassa. Bovendien zijn de duurzame energiebronnen vaak nog duurder dan de fossiele brandstoffen. Houden we het echter bij aardgas, dan worden we steeds afhankelijker van import uit landen die soms politiek gevoelig liggen. Geopolitiek lijkt niet echt een overweging te zijn in het energiebeleid en we vertrouwen nu wel erg op de energiemarkten.’

Keuzes

Bontenbal wil dan ook wat meer sturing vanuit Den Haag. ‘Het is de taak van de Kamer de pro’s en contra’s tegen elkaar af te wegen en knopen door te hakken. Nu lijkt het er op dat Kamerleden, maar ook NGO’s, vooral weten waar ze allemaal tegen zijn. Terwijl de discussie zou moeten gaan over de energiemix waar we wél mee kunnen leven.’

bontenbal

‘Om de achterban tevreden te houden, praat men al snel de kritische burger naar de mond zonder het eerlijke verhaal te vertellen.’

Henri Bontenbal – vervangend Tweede Kamerlid CDA

De actuele energiecrisis maakt weer pijnlijk duidelijk hoe ingrijpend energietekorten kunnen zijn voor de maatschappij. Bontenbal: ‘We kunnen het ons niet veroorloven om alles maar aan de markt over te laten en hebben wel enige vorm van regie nodig. De TTF gasfutures stonden een jaar geleden nog op vijf euro per megawattuur, nu zo’n 88 euro. Dat is echt absurd hoog. Je moet burgers beschermen tegen de gevolgen van dergelijk hoge prijzen, maar ook een beetje gasverbruikend MKB-bedrijf houdt het op deze manier niet lang vol. Als je iets positiefs uit deze energiecrisis wil halen, dan is dat het feit dat energie en leveringszekerheid weer bovenaan de politieke agenda staan. Maar het geeft ook aan hoe wankel het evenwicht is tussen leveringszekerheid, betaalbaarheid en duurzaamheid. Ik zou daarom ook zeker kernenergie meenemen in de afwegingen. Het energiesysteem dreigt spaak te lopen als er te veel volatiel vermogen op het net komt. Kernenergie kan net dat beetje basislast leveren dat nodig is om de balans in evenwicht te houden. Natuurlijk moet je daarbij wel de maatschappelijke baten en lasten doorrekenen, maar op voorhand uitsluiten is een luxe die we ons niet kunnen veroorloven.’

Industrieagenda

Bontenbal bespeurt daarbij met name bij de linkse partijen een cynische houding richting industrie. ‘Als de industrie al in de debatten wordt genoemd, is het vooral vanwege de dingen die de industrie niet goed doet. Dat zie je bijvoorbeeld bij de discussie rondom Tata Steel. Een aantal partijen zien het bedrijf dan ook liever gaan dan blijven. Maar ze vergeten vaak voor het gemak even dat je daarmee ook een hele keten vernietigt van toeleverende bedrijven en kennisnetwerken rondom de staalreus. De door de publieke opinie afgedwongen koerswijziging van het bedrijf naar groene staalproductie is wat mij betreft dan ook de lakmoesproef voor de groene industriepolitiek die het kabinet wil voeren. Want zonder politieke steun heeft zo’n forse ingreep geen kans.’

De rechtszaak tegen Shell is volgens Bontenbal een ander typerend voorbeeld van hoe de industrie in een negatief daglicht staat. ‘Maar het is vooral de taak van de overheid om grenzen te stellen aan de impact die bedrijven hebben op de directe leefomgeving of het klimaat in het algemeen. Je kunt daar bedrijven individueel niet alleen op aanspreken. Je kunt een klimaatdoel van een land of werelddeel niet zo maar één op één vertalen naar een bedrijfsdoel. Het gelijk dat de aanklager kreeg van de rechter is in mijn ogen dan ook een pyrrusoverwinning. De perverse effecten van zo’n rechterlijke ingreep is dat bedrijven hun activiteiten verplaatsen naar landen met minder stringente regelgeving. Of bedrijfsonderdelen verkopen aan partijen die het minder nauw nemen met het milieu, waardoor de werkelijke uitstoot alleen maar toeneemt.’

bontenbalLeiden

Bontenbal gaf zelf al een voorzetje door een groene politieke industrieagenda te schrijven. ‘Het Klimaatakkoord is een goede aanzet geweest om de industrie te betrekken bij de klimaatambities van het kabinet. Toch blijft het publiek in het algemeen wantrouwig kijken naar de industrie. Ook in de discussies rondom de energietransitie wordt de industrie vooral als probleem gezien. Terwijl een groot deel van het verdienvermogen bij diezelfde energie-intensieve industrie ligt. We hebben nu eenmaal een geografisch gunstige ligging aan de Noordzee waar de oude economie van profiteerde, maar die ook ideaal is voor duurzame innovatie. We kunnen offshore windparken aanleggen, duurzame brand- en grondstoffen importeren. Maar ook CO2 afvangen en opslaan omdat we uitgeproduceerde velden hebben die relatief eenvoudig te bereiken zijn. Als de circulaire economie ergens kan slagen, dan is het hier. Bovendien zijn de Nederlandse universiteiten en hogescholen van wereldklasse, waardoor we ook de kennis in huis hebben om vooruit te lopen in de energietransitie.’

Bontenbal is van mening dat als we als maatschappij kiezen voor een duurzame koers voor onze industrie, we een kraamkamer scheppen voor innovatieve technologie. ‘Als we duurzame alternatieven vinden voor kunstmest en chemische producten, profiteert niet alleen Nederland daarvan, maar leiden we de rest van de wereld naar een schonere toekomst.’

Blauwe boorden

Op het moment van schrijven is de kabinetsformatie nog in volle gang, maar de speerpunten voor de komende vier jaar zijn inmiddels wel duidelijk. ‘De klimaatcrisis, stikstofcrisis, veiligheid en woningen vragen de komende jaren veel aandacht’, zegt Bontenbal. ‘De industrie heeft zeker een aandeel aan de klimaatverandering, maar ook het vermogen om deze op te lossen. Het heeft geen zin om schuldigen aan te wijzen. Kijk vooral naar welk aandeel de partijen kunnen leveren in de transitie.’

‘De industrie heeft zeker een aandeel aan de klimaatverandering, maar ook het vermogen om deze op te lossen.’

Henri Bontenbal – vervangend Tweede Kamerlid CDA

De industrie is ook een grote werkgever en voor de energie en grondstoffen­transitie is nog veel meer bèta-kennis en -kunde nodig. ‘Dan helpt het imago dat de industrie krijgt opgelegd niet mee om leerlingen te motiveren te kiezen voor een bètacarrière. Nu kun je niet alles sturen, maar het is wel de vraag hoeveel jongeren we moeten opleiden voor bijvoorbeeld recreatiewetenschap, terwijl elders grote tekorten ontstaan voor technische beroepen. We hebben als maatschappij en bedrijfsleven de bijna onmogelijke opdracht om grootschalig woningen te renoveren en verduurzamen, netten aan te passen aan elektrificatie en waterstof en nieuwe energiebronnen aan elkaar te knopen. Managers en consultants zijn er genoeg, waar we echt behoefte aan hebben zijn de blauwe boorden. Straal dan ook uit dat we ze belangrijk vinden, anders wordt het nog een lastige transitie.’

Eemsdeltavisie 2021 – Truth or Dare

‘powered by Chemport Europe’

Transitie vraagt om eerlijke mogelijkheden, maar ook om veel durf. Neem de chemische industrie. Chemici worden opgeleid om risicomijdend te zijn. Alles moet zo veilig en efficiënt mogelijk. Experimenteren staat daar al gauw haaks op. Maar hoe rijmt de dagelijkse praktijk met de huidige noodzaak om te innoveren?

En eerlijk is eerlijk. Veel hoopgevende innovaties sterven een vroegtijdige dood. Briljante mislukkingen te over. Hoe houden we de moed erin? En wat zijn de valkuilen voor innovatieve bedrijven? Tijdens Eemsdeltavisie 2021 gaan we in gesprek met onder meer innovators, wetenschappers en experts uit de industrie.

Eemsdeltavisie is het eerste officiële evenement in het Chemport Innovation Center. Ook organiseren we tijdens het evenement de verkiezing van de Northern Enlightenment 2021 en trappen we de Hydrogen Trail Europe af.

Twaalf vakmensen uit de Belgische chemie- en farmasector geven dit schooljaar een aantal uur per week les op het middelbaar onderwijs. Door enkele uren per week voor de klas te staan, kunnen ze hun praktijkervaring doorgeven, meer meisjes en jongens warm maken voor wetenschappelijke en technische studies of beroepen en het lerarentekort een beetje helpen verzachten.

Vakmensen uit het bedrijfsleven die naast hun job ook deeltijds lesgeven in het secundair onderwijs. Dat is duaal lesgeven in een notendop. Dit schooljaar start het eerste proefproject dat de weg kan vrijmaken voor een bredere uitrol de komende jaren. Zo geeft Steven Rusch, procesingenieur bij Janssen Pharmaceutica, vanaf deze maand het vak ‘Scheidingstechnieken’ aan de TSO-leerlingen van het 6de jaar Chemie en het 7de jaar Productie- en Procestechnologie en Chemische Procestechnieken in het Stedelijk Lyceum Eilandje in Antwerpen.

Praktische toepassingen

Het voordeel is dat leerling les krijgen van experts uit de chemie- en farmasector die de formules uit theoretische handboeken kunnen illustreren met praktische toepassingen. Bedrijven kunnen de wisselwerking met het onderwijs versterken en hun medewerkers een waardevolle educatieve ervaring bieden die hun loopbaan verrijkt. Middelbare scholen uit ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) en TSO (Technisch Secundair Onderwijs) kunnen via duaal lesgeven dan weer een beroep doen op lesgevers met praktijkervaring die ze momenteel moeilijk vinden.

Proefproject

Duaal lesgeven is een twee jaar durend proefproject gelanceerd door Vlaams minister van Werk en Economie Hilde Crevits en Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts, uitgewerkt in nauwe samenwerking met onder andere sectorfederatie essenscia vlaanderen en de bedrijven uit de chemie en life sciences. Het initiatief ontvangt onder de projecttitel ‘Teach Up’ financiële steun vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Vlaamse Overheid en wordt inhoudelijk opgevolgd door een expertenpanel van academici en vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, het bedrijfsleven en de overheid.

De eerste lichting van twaalf pioniers in duaal lesgeven zijn afkomstig van zes pioniersbedrijven: BASF, Eastman, INEOS, Janssen Pharmaceutica, Pfizer en Vynova. Ze volgden eerst een verplichte didactische en pedagogische vooropleiding. Ze geven onder andere les in biotechnieken, chemie, mechanica, systeemhydraulica en toegepaste fysica.

Foto ter illustratie

Lanxess is sinds 3 augustus met productielocaties aanwezig in zowel Antwerpen als Rotterdam. Het chemiebedrijf heeft de overname van Emerald Kalama Chemical afgerond. Alle nodige wettelijke goedkeuringen zijn verleend. De aankoopprijs is ruim een miljard Amerikaanse dollar  (EUR 870 miljoen). Lanxess financiert de overname uit eigen middelen.

Onderdeel van de overname is ook de fabriekslocatie van Emerald Kalama in Rotterdam. Met de locaties in Washington (VS) en Widnes (Groot-Brittannië), neemt het Duitse chemiebedrijf in totaal 470 werknemers over.
Door de overname wordt Lanxess één van de grootste leveranciers van smaak- en geurstoffen – een gebied waarvoor het concern op de lange termijn sterke groeipercentages verwacht. De stoffen worden voornamelijk gebruikt in verzorgingsproducten, cosmetica, exclusieve parfums en in voedsel en dranken.

Antwerpen

In de Benelux was Lanxess al met een grote productielocatie vertegenwoordigd in Antwerpen. Tot eind 2018 had het bedrijf ook 50 procent in handen van Arlanxeo, met fabrieken op Chemelot in Nederlands Limburg. Maar dat bedrijf is inmiddels volledig in handen van olie- en chemiegigant Saudi Aramco.

BASF wil haar vestiging in De Meern te verkopen. Op deze locatie produceert en ontwikkelt het chemieconcern hoogwaardige katalysatoren. Enkele activiteiten en producten die goed passen haar de strategie verplaatst BASF naar andere productielocaties. Andere producten verkoopt het bedrijf samen met de vestiging.

BASF wil het liefst de vestiging verkopen aan een bedrijf dat de site zal exploiteren met de bestaande configuratie. De vestiging in De Meern continueert haar productieactiviteiten om tot aan de verkoop aan haar klantenvraag te blijven voldoen. Gedurende deze periode zullen er ook geen veranderingen zijn voor de omgeving. Daarbij doet BASF geen concessies aan veiligheid, stelt site-directeur Paul Evers. Deze speciale nadruk komt niet uit de lucht vallen. Jarenlang waren er uitdagingen op het gebied van veiligheid, in combinatie met de nabijheid van het dichtbevolkte gebied in de regio Utrecht. De laatste jaren lijkt BASF De Meern zich op dat gebied sterk te verbeteren.

Onmisbaar

Twee jaar geleden vierde BASF nog het vijftigjarige bestaan van de locatie. Lees hier een uitgebreid artikel over de site in De Meern. Kernactiviteit door de jaren heen is de ontwikkeling en productie van katalysatoren. Inmiddels zijn die onmisbaar in tal van chemische processen, maar ook bijvoorbeeld in auto’s. Katalyse gaat wellicht een nog essentiëlere rol spelen, onder meer in de energietransitie. Welke activiteiten BASF zelf houdt, is nog onduidelijk.

Chemiebedrijf Covestro neemt de Resins & Functional Materials-activiteiten (RFM) definitief over van DSM. Regelgevende instanties keuren de overname goed, nadat de bedrijven eind september 2020 al een overname-overeenkomst hadden getekend.

De transactie breidt Covestro’s portfolio van duurzame coatingharsen aanzienlijk uit in deze groeimarkt. Dankzij de integratie van het DSM-onderdeel zullen de inkomsten van het bedrijf met ongeveer 1 miljard euro toenemen en wordt Covestro’s wereldwijde productienetwerk uitgebreid met meer dan 20 vestigingen, waaronder verschillende in Nederland.

Volledige integratie

Met de transactie breidt Covestro zijn activiteiten uit op verschillende gebieden. Het bedrijf is al een grote wereldwijde leverancier van watergedragen polyurethaandispersies. De overname van RFM voegt daarbij een compleet assortiment polyacrylaatharsen op waterbasis toe én enkele sterke merken op het gebied van duurzaamheid, zoals Niaga®, oplossingen voor 3D-printing en voor geavanceerde coatings voor zonnepanelen. Bovendien breidt Covestro zijn technologie-portfolio uit met hybride technologieën op waterbasis, poedercoatinghars en UV-harsen. Na een uitgebreide analyse verwacht Covestro dat de permanente synergie-effecten na de volledige integratie tegen 2025 zullen oplopen tot ongeveer 120 miljoen euro per jaar.

Ondanks allerlei programma’s is de veiligheid er in de Brzo-sector niet op vooruitgegaan, stelt promovendus André Maranus. Hij ontwikkelde daarom een nieuw concept. Zijn Risicodashboard Industrie prikkelt zowel bedrijven als het publiek om scherp te blijven op het gebied van veiligheid. ‘Zoals vroeger in de kolenmijnen een kanarie werd gebruikt als waarschuwingssignaal.’

Het aantal BRZO-bedrijven met overtredingen is vorig jaar met tien procent toegenomen ten opzichte van 2018. Er zijn in totaal 813 overtredingen vastgesteld. Dat blijkt uit de onlangs gepubliceerde Monitor naleving en handhaving Brzo-bedrijven 2019. Het overgrote deel – 72 procent – van de overtredingen valt onder de categorie licht. Dit aantal is afgenomen, maar het aantal middelzware en zware overtredingen is juist toegenomen. Er zijn acht zware overtredingen geconstateerd in vergelijking met één overtreding in 2018 en twee overtredingen in 2017. In zeven van de acht gevallen ging het om explosieveiligheid.

Dat klinkt ernstig, maar deze kale cijfers vertellen natuurlijk niet het hele verhaal. Wat bijvoorbeeld meespeelt, is dat de toezichthouders vorig jaar gerichter en diepgaander zijn gaan inspecteren. Verder hebben zij hun inspecties meer op fysieke maatregelen gericht in plaats van voornamelijk op het veiligheidsbeheersysteem. Ook dit heeft geleid tot een toename van het aantal – afzonderlijke – overtredingen. Meer overtredingen betekent dus niet meteen dat het minder veilig is geworden bij Brzo-bedrijven.

Bovendien is het overtreden van regels niet voorspellend voor toekomstige incidenten, bleek vorig jaar uit onderzoek van de Universiteit Leiden en de Vrije Universiteit Amsterdam. De onderzoekers hadden daarvoor drie jaar aan inspectiegegevens en vijf jaar aan rapportage van incidenten doorgespit. Zij hadden een verband verwacht tussen die gegevens, maar dat ontbrak. Wel voorspellend is het aantal eerder gemelde incidenten, maar de bedrijfsgeschiedenis van regelovertreding is dat dus niet.

Leren van incidenten

Ook onderzoeker André Maranus verdiepte zich in dit onderwerp. Hij promoveerde begin augustus op zijn onderzoek over het meten van veiligheid in de Brzo-sector. ‘Ondanks een andere mindset, geleerde lessen en meer investeringen is de veiligheid in de sector er niet op vooruitgegaan, stelt hij. ‘Drie internationale rapporten bevestigen dit. Het rapport What Went Wrong? gaat in op verlies van product en de gevolgen daarvan door fouten in de engineering. Het rapport zet zeer uitvoerig uiteen dat de sector de geleerde lessen niet meeneemt bij het ontwerp, onderhoud en in de cultuur van Brzo-bedrijven. Het rapport 25 jaar later behandelt de oorzaken van twee grote rampen, namelijk de LPG-ramp in Mexico City en de Bhopal-tragedie. Vervolgens reflecteert de auteur op de resultaten als geleerde lessen binnen de Brzo-sector in 2009. De uitkomst is dat de sector structureel niet leert van incidenten, want uit onderzoek komen dezelfde basisoorzaken naar voren.’

Het derde rapport Marsh geeft volgens Maranus een gedegen cijfermatige onderbouwing van de oorzaken van verlies van product in de afgelopen dertig jaar. De conclusie is dat de risicokwaliteit niet significant is verbeterd, en dat de sector niet veel heeft geleerd. ‘Natuurlijk, deze drie rapporten zijn internationaal georiënteerd. De Nederlandse situatie vormt hierin maar een klein onderdeel, maar de resultaten zijn ook representatief voor Brzo-bedrijven in Nederland. Overall is de conclusie dat het draait om problemen in het veiligheidsmanagementsysteem en de veiligheidscultuur. Het komt er steeds weer op neer dat de sector niet leert van incidenten.’

Industrielinqs nu 3 maanden gratis ontvangen?

Dit artikel komt uit de eerste editie van het Industrielinqs magazine, dat zich richt op de procesindustrie, energiesector en onderlinge infrastructuur. Met het magazine verbinden we industriële ketens zodat ze van elkaar kunnen leren. Belangrijke thema’s zijn: innovatie, energietransitie, onderhoud en veiligheid.

Gebruik kortingscode ILQS20GRATIS voor een gratis proefabonnement

Risicocommunicatie

Wat maakt dat hier zo weinig over bekend is, en dat men er niet wakker van ligt?, dacht Maranus vervolgens. Hij concludeerde dat de oorzaken bij de PR-afdelingen liggen en in het feit dat de ‘conventionele wijsheid’ vaak ongelijk heeft. ‘Laten we met de PR-afdelingen beginnen. De Brzo-sector doet veel aan public relations, maar vooral om de eigen naam positief voor het voetlicht te krijgen. Transparant over risico’s communiceren heeft geen prioriteit. Er is in veel gevallen zelfs geen enkel beleid voor risicocommunicatie. Dat blijkt uit een rapport van Crisislab dat eind vorig jaar verscheen.’

‘Niet de naleving van wet- en regelgeving, maar andere factoren zijn betere voorspellers van het veiligheidsniveau van Brzo-bedrijven.’

André Maranus, promovendus Aston American University

Overigens zijn Brzo-bedrijven dit ook niet verplicht. Zij hebben niet de wettelijke taak om naar omwonenden over risico’s te communiceren, geeft Maranus toe. ‘Veiligheidsregio’s hebben dat wel. Zij beperken zich echter vooral tot het verspreiden van informatie over generieke risico’s. Ze communiceren dus in algemene termen over risico’s, en niet over de specifieke risico’s van een Brzo-bedrijf.’

De tweede oorzaak – de conventionele wijsheid heeft vaak ongelijk – licht Maranus ook graag toe. ‘Niemand heeft ooit kunnen aantonen dat acht glazen water per dag drinken enig effect op je gezondheid heeft. Deze conventionele wijsheid hangt van pseudowetenschap aan elkaar en is moeilijk door te prikken. De conventionele wijsheid van Brzo-bedrijven is: wet- en regelgeving en hierop handhaven. Uit mijn en ander onderzoek blijkt dat dit geen sluitende benadering is.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

brzo

Grafische weergave van het beoogde visuele resultaat risicodashboard industrie

Voldoende geld

Maranus stelt voor op een andere manier te kijken naar risicomanagement en transparantie van de Brzo-sector. ‘We laten daarvoor de momenteel gehanteerde invalshoek los: wet- en regelgeving, en de naleving ervan. Het nieuwe uitgangspunt is zowel simpel als logisch: er moet voldoende geld zijn om het veilig te houden. Dit uitgangspunt is de start geweest van jarenlang onderzoek naar het verband tussen veiligheid en financiën binnen de sector. En die is er. Literatuur, documenten, respondenten en statistisch onderzoek bevestigen het verband tussen de financiële situatie en de verhoogde kans op het ongecontroleerd vrijkomen van een gevaarlijke stof. Het komt erop neer dat niet de naleving van wet- en regelgeving, maar andere factoren betere voorspellers zijn van het veiligheidsniveau van Brzo-bedrijven.’

Prikkel

De voorspellende waarde van deze andere factoren, gecombineerd met het gebrek aan specifieke risicocommunicatie, is de basis van een nieuw concept, namelijk een Risicodashboard Industrie. Het dashboard moet op een laagdrempelige manier informatie geven over het veiligheidsniveau van bedrijven. Dit niveau is gebaseerd op financiële data en andere aanvullende indicatoren. In het gratis deel van het risicodashboard is deze informatie vertaald naar een eenvoudige kaart en een stoplicht.

Doel van het dashboard is dat bedrijven hun risicomanagement aantoonbaar op orde gaan brengen. Politieke of maatschappelijke druk zal daarvoor zorgen. Maranus: ‘De – ongevraagde – transparantie is voor Brzo-bedrijven een prikkel om te investeren. Bovendien kunnen belanghebbenden op basis van het Risicodashboard Industrie actie ondernemen.’

En precies daarvoor is het dashboard eveneens bedoeld, om de publieke opinie te beïnvloeden. ‘Als er een vliegtuig neerstort, is men in Nederland van slag. We accepteren het niet. Maar branden en ongevallen in de industrie zijn we snel weer vergeten’, stelt Maranus. ‘Het gaat erom wat wordt geaccepteerd. De media en het publiek bepalen de opinie over het aantal doden en gewonden, en wat dit mag kosten. Met andere woorden: de publieke opinie bepaalt het veiligheidsniveau, ook van de Brzo-sector.’

Kanarie

Het Risicodashboard Industrie moet een waarschuwingssignaal zijn, vindt Maranus. ‘Zoals vroeger in de kolenmijnen een kanarie werd gebruikt. Een waarschuwingssignaal voor zowel Brzo-bedrijven als de maatschappij. Het dashboard houdt beide scherp.’

Het concept zal zich natuurlijk eerst moeten bewijzen, weet Maranus. ‘Maar we kunnen de problemen in de Brzo-sector niet oplossen met één wijze van benaderen. Als het risicodashboard een kans krijgt, zou het kunnen worden uitgebouwd naast de bestaande verplichte controle op naleving van de wet- en regelgeving door Brzo-bedrijven.’

Prikkels vanuit Dashboard Industrie

Het Dashboard Industrie is gebaseerd op drie prikkels. Ten eerste de economische prikkel. Het dashboard geeft gevalideerd inzicht in de financiële situatie, die een verband heeft met de veiligheidssituatie van het betreffend Brzo-bedrijf. Het is een prikkel om als Brzo-bedrijf te gaan investeren in veiligheid, of om transparant te maken waarom de veiligheid toch op orde is, ondanks een negatieve score op het Dashboard Industrie.

Ten tweede is er een sociale prikkel. Het dashboard helpt een Brzo-bedrijf om zich bewust te zijn van maatschappelijk verantwoord ondernemen. En om hierop zowel economisch, sociaal als milieutechnisch te kunnen worden afgerekend.

Tot slot geldt een morele prikkel. De andere kant op kijken als bekend is dat er niet in veiligheid wordt geïnvesteerd, ligt niet voor de hand. Het Dashboard Industrie is een moreel appel op het Brzo-bedrijf (en de stakeholders) om actie te ondernemen.

Contact

Industrielinqs verbindt industriële ketens. Vindt u het concept van een Risicodashboard Industrie interessant en wilt u graag in contact komen met André Maranus? Stuur dan een mail naar redactie@industrielinqs.nl

De Belgische STEM-studierichting Chemische Procestechnieken in het 7de jaar technisch secundair onderwijs (TSO) breekt dit schooljaar alle records. Met 221 studenten ligt het inschrijvingsaantal 34 procent hoger dan vorig schooljaar en in vergelijking met tien jaar geleden gaat het zelfs om meer dan een verviervoudiging.

Chemische Procestechnieken is een eenjarige praktijkgerichte studie die jongeren voorbereidt op de job van procesoperator, een veelgevraagd profiel in de chemie- en farma-industrie. Deze zeer specifieke opleiding wordt intussen door tien scholen in Vlaanderen aangeboden. De Se-n-Se-studierichting Chemische Procestechnieken – Se-n-Se staat voor Secundair na Secundair of het vroegere 7de jaar TSO – was in september 2016 een van de zeven studierichtingen in Vlaanderen die als eerste gestart zijn met duaal leren. Zo ontwikkelen leerlingen vaardigheden op school en krijgen ze de kans om al doende te leren op de werkvloer in een hoogtechnologische en realistische werkomgeving.

Het aantal leerlingen dat binnen de opleiding voor duaal leren kiest, zit fors in de lift. Duaal leren is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarbij de helft van de lestijd plaatsvindt in een bedrijf. De duale leerlingen zijn dit jaar met 113. Een stijging van maar liefst 71 procent tegenover de 66 leerlingen vorig schooljaar. Het gaat om voorlopige cijfers omdat de inschrijvingsperiode in bepaalde scholen nog niet is afgesloten.

In het tweede kwartaal van 2020 lag de omzet van de industrie, mede door de effecten van de coronacrisis, 16,6 procent lager dan een jaar eerder. De negatieve omzetontwikkeling was het grootst voor aardolieproducenten. Zij boekten dertig procent minder omzet vergeleken met het eerste kwartaal van 2019. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers over de industrie.

De omzet nam in het tweede kwartaal zowel in het binnenland als in het buitenland af met 16,6 procent. Halverwege maart zijn door de Nederlandse overheid maatregelen getroffen om het coronavirus te bestrijden. Vooral in de maanden april en mei van het tweede kwartaal hebben industriële producenten minder omzet gegenereerd dan een jaar eerder. De afzetprijzen lagen in het tweede kwartaal 7,1 procent lager dan een jaar eerder.

Klappen raffinage en chemie

De voornaamste negatieve omzetontwikkelingen in het tweede kwartaal van 2020 zijn te zien in de transportmiddelenindustrie (-38,6 procent vergeleken met een jaar eerder), de raffinaderijen en chemie (-30,1 procent) en de textiel-, kleding- en lederindustrie (-27,4 procent).

In de raffinaderijen en chemie hebben de producenten van aardolie, van chemische producten en van rubber- en kunststofproducten minder omzet geboekt dan een jaar eerder. De grootste min was te zien bij de producenten van aardolie die 53,6 procent minder omzet genereerden dan een jaar eerder. De prijzen van aardolieproducten zijn in het tweede kwartaal gedaald met 46,4 procent.

Transport

In de transportmiddelenindustrie heeft een aantal bedrijven hun fabrieken op 19 maart volledig gesloten. De omzet lag ten opzichte van een jaar eerder voornamelijk lager in april en mei, toen de omzet respectievelijk 50,7 en 49,5 procent lager was. Producenten van auto’s en aanhangwagens zetten 51,0 procent minder om in het tweede kwartaal van 2020. Van alle producenten in de maakindustrie lieten deze producenten de grootste omzetafnames zien in april en mei. In deze twee maanden lag de omzet respectievelijk 72,4 procent en 61,6 procent lager dan in dezelfde periode een jaar eerder.

Farma stijgt

Er waren industriële branches die meer omzet genereerden dan een jaar eerder. Binnen de voedings- en genotsmiddelenindustrie sprongen de tabaksproducenten eruit met een positieve omzetontwikkeling van 10,7 procent. Ook de producenten van farmaceutische producten en de producenten van machines noteerden een hogere omzet dan een jaar eerder.