Vomi, de branchevereniging van dienstverlenende ondernemers in de procesindustrie, heeft een infographic ontwikkeld om de bewustwording te bevorderen rondom het veilig werken met Chroom-6 houdende materialen.

Blootstelling aan Chroom-6 kan ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden kunnen mensen te maken krijgen met Chroom-6. Bij het werken aan installatieonderdelen waar Chroom-6 is geconstateerd, moeten dan ook voorzorgsmaatregelen worden genomen. Die voorzorgsmaatregelen moeten zowel door contractors als door asset owners worden genomen.

De infographic is bedoeld om bewustzijn te creëren bij medewerkers op de werkvloer door hen te informeren over het werken aan (mogelijk) Chroom-6 houdende materialen, de gevaren ervan en over de Arbeidshygiënische strategie. Via een toolbox is daarnaast een instrument beschikbaar om met medewerkers in gesprek te gaan en hen voor te lichten.
Ook wordt er door Vomi een Kennissessie Chroom-6 en een ronde-tafeldiscussie georganiseerd.

onderhoud

Klik op afbeelding om te vergroten.

De Inspectie SZW gaat de komende drie jaar scherp controleren bij BRZO-bedrijven op de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Uit eerdere inspecties blijkt dat bedrijven de gevaren van deze stoffen nog steeds onvoldoende in beeld hebben. Ook is het vaak niet duidelijk in welke mate werknemers worden blootgesteld.

Bij de inspecties gaat het om CMRS-stoffen zoals chroom-6, formaldehyde of benzeen. CMRS-stoffen kunnen kanker veroorzaken, genen beschadigen of schadelijk zijn voor de voortplanting. De afgelopen jaren heeft Inspectie SZW 28 procent van alle ruim 400 BRZO-bedrijven geïnspecteerd op het risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen voor werknemers. Alle BRZO-bedrijven die nog niet zijn geïnspecteerd op dit onderwerp, worden de komende drie jaar bezocht.

Naast het toezicht op blootstelling aan CMRS-stoffen voert de Inspectie SZW jaarlijkse reguliere inspecties uit. Uit diverse onderzoeken blijkt volgens de Inspectie dat bedrijven de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen onvoldoende op orde hebben.

Bronmaatregelen

Maar dit betekent niet dat bedrijven helemaal geen maatregelen treffen. De Inspectie SZW constateert dat er bij de bedrijven het nodige wordt gedaan en dat op veel vlakken de zaken wel zijn geregeld. Maar voor een goed samenhangend beleid om risico’s te voorkomen is meer nodig laat de Inspectie SWZ weten in een persbericht. ‘Wat opvalt is dat bedrijven er vooral voor kiezen om hun medewerkers persoonlijke beschermingsmiddelen te geven als ze met gevaarlijke stoffen werken, terwijl het verplicht is om te denken aan bronmaatregelen of technische maatregelen om blootstelling te vermijden. Door vervanging van de kankerverwekkende stof of aanpassing van het productieproces.’ Ook ziet de Inspectie dat maatregelen soms wel op het hoofdproces zijn toegepast, maar niet op alle nevenprocessen, zoals onderhoud aan installaties.

De emissie van vinylchloride bij PVC-producent Shin Etsu in Pernis in 2017 is ontstaan nadat een breekplaat bij een veerveiligheid van een reactor faalde. Dat blijkt uit onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

Omdat die veerveiligheid niet goed vast zat, kon een open verbinding met de buitenlucht ontstaan. Tijdens een ruim drie-en-een-half uur durende emissie kwam circa 3,6 ton vinylchloride in de atmosfeer vrij. Niemand is gewond geraakt bij het incident en niemand is blootgesteld aan een concentratie vinylchloride boven de gezondheidsgrenswaarde.

Veerveiligheid

De veerveiligheid bij de reactor van Shin Etsu opent bij een te hoge druk in de reactor. Door een teveel aan gas door te laten naar een emissiepunt verlaagt de veerveiligheid de druk. Een breekplaat schermt de veerveiligheid af van de reactor. Omdat breekplaten kunnen falen, kan dat alleen als de installatie gasdicht is. Ook als de breekplaat zou falen. De gasdichtheid van de installatie is een veiligheidskritische voorwaarde die continu op orde moet zijn. Bij het toetsen of aan deze veiligheidskritische voorwaarde is voldaan, moet dus ook het leidingdeel tussen de breekplaat en de veerveiligheid worden getest.

De bij de reactor aanwezige meetapparatuur is uitsluitend gebruikt om zicht te houden op het batchproces. De beschikbare meetwaarden zijn niet gebruikt om vooraf of tijdens het proces na te gaan of de installatie gasdicht was. Door het aanwezige inzicht in druk en temperatuur niet te gebruiken, is een niet goed vastzittende flens bij de veerveiligheid door Shin-Etsu niet opgemerkt.

Geen controle

Bij de opstart van de reactor is de integriteit van de reactor getest. Shin-Etsu zag de breekplaat en de veerveiligheid echter niet als veiligheidskritisch onderdeel van de reactor, terwijl deze wel die functie hadden. De gasdichtheid van de reactor is een veiligheidskritische voorwaarde voor het gebruik ervan. De installatie moet daarom in zijn geheel, met alle veiligheidskritische potentiële emissiepunten, worden gecontroleerd en gemonitord. Door het ontbreken van deze benadering kon de emissie plaatsvinden.

Tweede keer

Het is de tweede keer in korte tijd dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een rapport naar buiten brengt over Shin Etsu. Tijdens een vier uur durende emissie kwam in augustus 2016 bij Shin-Etsu in Rotterdam-Botlek ook vinylchloride vrij in de atmosfeer. Lees hier meer.

Ruim één miljoen Nederlanders hebben op het werk te maken met stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid. Zij zijn zich hier meestal niet van bewust, omdat het om stoffen gaat die je niet kunt zien, ruiken of waarvan je niet verwacht dat die schadelijk zijn. Bovendien worden de gevolgen van blootstelling, waaronder kanker, astma en COPD pas jaren later zichtbaar, vaak na pensionering. Onder werkenden leidt blootstelling aan deze stoffen tot 150.000 verzuimdagen per jaar.

Alle reden voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om de komende vier jaar samen met TNO, werknemers- en werkgeversorganisaties, arboprofessionals en preventiemedewerkers in een campagne extra aandacht te geven aan de preventie van beroepsziekten door stoffen.

Risicoperceptie en bewustzijn matig

Uit het onderzoek ‘preventie beroepsziekten door stoffen’ van TNO, blijkt dat de kennis van risico’s van werken met stoffen over het algemeen matig is. De lange tijd die zit tussen blootstelling aan bijvoorbeeld kankerverwekkende stoffen en ziek worden, maakt het bovendien lastig een causaal verband aan te tonen. Zelfs als het verband wel wordt aangetoond, gaat er door de lange tijd tussen blootstelling en ziekte geen prikkel uit naar de werkgever om de bron aan te pakken en leidt dit in de meeste gevallen ook niet tot een gedragsverandering bij werknemers.

Naast een gebrekkige kennis is de organisatiecultuur een belangrijke hindernis bij elke vorm van preventie, en dan met name de machocultuur binnen organisaties. ‘Als veilig werken geen onderdeel van de cultuur is, of onveilig en ongezond werken zelfs de norm is, dan heeft dat invloed op de effectiviteit van de maatregelen’, concluderen de onderzoekers van TNO.

Cultuurverandering

Het bewerkstelligen van een cultuur van veilig werken vergt veel inspanning en gaat volgens Birgitte Blatter, manager Arbeidsveiligheid en Monitoring & Onderzoek bij Veiligheid.nl, verder dan het ophangen van arboposters en het geven van informatie over de risico’s om het gewenste gedrag te bereiken. ‘Werkgevers gaan ervan uit dat we een weloverwogen afweging maken van de risico’s en daarop ons gedrag baseren. De realiteit is dat we niet rationeel denken: 95 procent van het menselijk gedrag is onbewust en slechts 5 procent bewust. We zijn gewoontedieren en vertonen vaak impulsief of automatisch gedrag en laten ons beïnvloeden door onze sociale omgeving. Veranderen kost energie, we blijven liever in de oude situatie.’

Om de weerstand tegen veranderingen te doorbreken, is continu aandacht voor veilig gedrag nodig. Er moet een cultuur ontstaan waarin lering wordt getrokken uit incidenten en mensen elkaar aan durven te spreken op hun gedrag. Gekeken moet worden hoe leidinggevenden en collega’s als voorbeeld kunnen dienen.

Bewustzijn jongeren neemt toe

Saskia Gorissen, arbeidshygiënist en lid van de projectgroep Preventie Beroepsziekten van de Nederlandse Vereniging van Arbeidshygiënisten (NVVA), probeert de conclusies van Blatter dagelijks bij bedrijven in praktijk te brengen. Berichten uit de media, zoals verhalen over het gebruik van schadelijke chroom 6 in verf, leiden er volgens Gorissen toe dat het veiligheidsbewustzijn langzaam toeneemt. Dit geldt vooral voor jongeren van eind twintig, begin dertig jaar. ‘Zij gaan nadenken of ze misschien ook werken met stoffen waar ze ziek van kunnen worden.’ Zij signaleert ook dat dit niet geldt voor minder opgeleide mensen. ‘Als je met hen spreekt over wat de gevolgen zijn over vijf tot tien jaar is de houding vaak: dat zien we dan wel weer. Ze zijn over het algemeen optimistisch over hun gezondheid en zijn ervan overtuigd dat het hen niet zal overkomen. Als er geen goede veiligheidscultuur in een bedrijf is, is dit denken lastig te doorbreken.’

De beste preventie is het verbannen van gevaarlijke stoffen. Dat is in de praktijk niet altijd mogelijk. De op een na beste oplossing is dan om de blootstelling te minimaliseren door goede afzuiging, een andere werkmethode of het gebruik van persoonlijke bescherming. Het is dan wel zaak dat de medewerkers de beschikbare hulpmiddelen goed gebruiken.

Gedeelde verantwoordelijkheid

Op de vraag hoe je werknemers zover krijgt dat ze dat ook inderdaad gaan doen, antwoordt Gorissen: ‘Werknemers vinden het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor veilig werken niet alleen bij hen wordt gelegd, maar dat de werkgever duidelijk laat zien er alles aan te doen om de werksituatie te verbeteren. Een goede dialoog tussen leidinggevende en medewerker is belangrijk. Als mensen bijvoorbeeld geen gebruik maken van beschermingsmiddelen, is daar meestal een reden voor. Ik kom vaak tegen dat ze bij fysiek inspannend werk een gezichtsbedekkend masker moeten dragen dat beslaat waardoor ze niets meer zien. Soms hebben ze een heel groot masker op met nog een onderdeel achterop hun rug, terwijl ze in hele nauwe plekken moeten werken. Daar moeten ze samen een oplossing voor proberen te vinden. Dat lukt niet altijd.’

Het is belangrijk dat er goede voorlichting komt. Gorissen pleit ervoor al in de beroepsopleiding aandacht te besteden aan de risico’s van blootstelling aan stoffen. ‘Dat gebeurt soms wel, maar het is geen standaardonderdeel van de opleiding. Daarnaast moet de werkgever voorlichten, maar vooral ook luisteren. Als mensen het idee hebben dat er wordt geluisterd, zullen ze vaker met verbeteringsvoorstellen komen en wordt de omgeving veiliger. Als de werkgever er niets mee doet, gaan ze hun eigen ding doen.’

Arbeidshygiënestrategie

Voordat een bedrijf toe is aan het doorvoeren van een cultuurverandering, is het volgens Gorissen zaak om eerst te inventariseren wat er al is aan informatiekanalen en voorlichtingstrajecten en welke beheersmaatregelen er zijn getroffen. ‘Je kunt wel eisen stellen aan werknemers, maar als het een grote puinhoop is, dan wordt het niets. Er moet een basis aanwezig zijn om veilig te kunnen werken. Pas dan kun je door met de cultuurverandering en met het gedrag.’

Cultuur en gedrag pak je volgens Gorissen aan door voortdurend aandacht aan het onderwerp te besteden in het werkoverleg en mensen bij veiligheid te betrekken. ‘Dit kan door werknemers en leidinggevenden om beurten werkplek-inspecties te laten lopen, waardoor ze een gevoel krijgen van waar ze op moeten letten. Een andere manier is om werknemers een laatste minuut risicoanalyse te laten uitvoeren waarbij ze, voordat ze beginnen, eerst inventariseren met welke stoffen ze te maken hebben en of de werkplek veilig is. Bij onderhoud wordt dan gekeken of er nog gevaarlijke stoffen ergens in een pijplijn zitten en of er voldoende beschermingsmaatregelen zijn. Is dit niet het geval, dan mogen mensen werk weigeren en moet het eerst worden opgelost.’

tekst gaat verder onder deze afbeelding

Als al deze maatregelen zijn genomen en blijkt dat blootstelling niet kan worden voorkomen, zijn er enkele alternatieven om aan te wenden, zoals taakroulatie, waardoor de blootstelling kan worden verkort. In de bouw wordt gekeken naar andere methodes van werken, bijvoorbeeld niet slijpen maar knippen. Stof wordt niet weggeveegd maar opgezogen. ‘Er is heel veel mogelijk, maar sommige werkgevers weten dit niet’, stelt Gorissen.

Best practices

Een sector die stappen heeft gezet in de preventie van blootstelling aan stof is de bakkersindustrie. Meel lijkt op zich onschuldig, maar kan tot allergieën en longproblemen leiden. Daarnaast zijn er nog andere stoffen, zoals enzymen, waar zorgvuldig mee moet worden omgegaan. De bakkerijsector heeft een gezondheidsbewakingssysteem ontwikkeld dat in de cao is opgenomen. Er is ook een speciale website blijmetstofvrij.nl waar voorlichting wordt gegeven over preventie en veilige werkmethodes, zoals het gebruik van stofzuigers bij het schoonmaken van de werkplek in plaats van perslucht en het afdekken van deegkneders.

In de afvalsector heeft een bedrijf dat slib, dat is vervuild met allerlei vluchtige organische stoffen, schoonmaakt, maatregelen getroffen om blootstelling aan bijvoorbeeld benzeen bij het storten van slib zoveel mogelijk te voorkomen. De grote open bak waarin het slib werd gestort is afgedicht waardoor werknemers niet langer met een masker op hoeven te werken. Verder is er veel geïnvesteerd in gerichte afzuiging. Bij storingen dragen de werknemers adembescherming en een persoonlijk alarm voor te hoge blootstelling. Werknemers bepalen hier zelf of ze dan werken met aanvullende bescherming of later terugkomen als er is geventileerd.

Persoonsgerichte preventie

Met de opkomst van het Internet of Things en steeds betere sensortechnologie kan data worden verzameld en geanalyseerd. Het is daarmee mogelijk om in de toekomst per persoon vast te stellen wat de blootstelling is en te zoeken naar persoonlijke oplossingen. Gorissen: ‘We zijn nu al gewend aan slimme horloges of armbandjes die bijhouden hoeveel je beweegt of hoeveel calorieën je verbruikt, maar in de toekomst kun je hierop ook zien wat je blootstelling aan gevaarlijke stoffen is geweest, zowel op het werk als privé.’

Roel Vermeulen, hoogleraar Milieu-epidemiologie en Exposoom analyse aan het Institute voor Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht, onderzoekt de mogelijkheden om aan persoonsgerichte preventie te doen. Hoe iemand reageert op blootstelling aan stoffen kan sterk verschillen. Door dit te onderzoeken kan het preventiebeleid worden afgestemd op de persoon. Dat biedt werkenden de mogelijkheid om zelf meer inzicht in hun situatie te krijgen en regie te voeren over gewenste acties.

Gorissen volgt het onderzoek van Vermeulen met belangstelling, maar plaatst er enkele kanttekeningen bij. ‘Het punt is dat in werksituaties hele andere grenswaarden gelden dan in de thuissituatie. Hoe ga je de resultaten interpreteren? Benzeen tast de lever en nierfunctie aan, maar dat doet alcohol ook. Als in een periodiek medisch onderzoek blijkt dat de lever- en nierfunctie niet optimaal is, dan is het de vraag of dit komt door blootstelling op het werk of door alcoholgebruik.’

Cijfers en feiten over beroepsziekten door stoffen

  • Eén op de zes werknemers (in totaal ongeveer een miljoen Nederlanders) loopt het risico om ziek te worden door blootstelling aan stoffen op het werk.
  • In 2015 zijn er zo’n 3000 personen overleden aan een beroepsziekte door blootstelling aan stoffen. Het gaat hierbij om werkenden en gepensioneerden.
  • 1,8 procent van de totale ziektelast in Nederland wordt veroorzaakt door blootstelling aan risicofactoren zoals stoffen. Ruim 55 procent van deze werkgerelateerde ziektelast door stoffen doet zich voor na pensionering.
  • Belangrijke sectoren waar blootstelling aan de geïdentificeerde stoffen een risico is, zijn de chemie, metaal, bouw en zorg.
Cijfers: RIVM

Sluipmoordenaars waar we ons niet altijd van bewust zijn

  • Meelstof in bakkerijen
  • Houtstof in meubelmakerijen
  • Dieselrook in garages
  • Lasrook in metaalbedrijven
  • Kwartsstof en isocyanaten op bouwplaatsen

Vervoerders en verladers kunnen voortaan bij de de Servicedesk Basisnet terecht met vragen over het vervoer en de routering van gevaarlijke stoffen over het spoor. Doel is om vervoer van gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk via de Betuweroute te laten verlopen.

De Servicedesk zal naast het beantwoorden van vragen ook actief voorlichting gaan geven aan goederenvervoerders en verladers. De voorlichting is bedoeld om vervoerders in sommige gevallen alternatieve routes te laten overwegen. Daarnaast gaat de Servicedesk de vervoersstromen met gevaarlijke stoffen in beeld brengen voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De servicedesk is een samenwerking van Prorail met het Bureau InfoMil van Rijkswaterstaat, dat formeel aangesteld is voor voorlichting over de wet Basisnet waarin het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd. Sinds 1 april 2015 is Basisnet van kracht op de weg, het water en het spoor. Met het Basisnet wordt geprobeerd een evenwicht te vinden tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid.

Met de publicatie van ISO 20519 ’Ships and marine technology – Specification for bunkering of liquefied natural gas fuelled vessels’ is er een belangrijke mijlpaal bereikt in de uitrol van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. Met de publicatie van deze internationale norm hebben partijen de beschikking over breed gedragen eisen voor verlaadsystemen en toebehoren voor het bunkeren van schepen met LNG.

LNG is schoner dan traditionele transportbrandstoffen en motoren op LNG zijn bovendien stiller. LNG wordt dan ook gezien als een belangrijke brandstof voor onder meer schepen in de transitie naar duurzame brandstoffen. Wereldwijd wordt het aantal zogenoemde ‘emission control areas’ uitgebreid, waardoor schepen niet zonder meer op stookolie kunnen varen. De sector wordt voor de keuze gesteld te investeren in filtersystemen om emissies te beperken of over te stappen op (bio-)LNG als alternatieve brandstof. Ook in de binnenvaart wordt het gebruik van schone brandstoffen gestimuleerd om de lokale luchtkwaliteit te verbeteren, naast de verduurzaming van het brandstofgebruik.

Europese richtlijn

In 2014 heeft de Europese Commissie haar richtlijn betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (2014/94/EU) gepubliceerd. In deze richtlijn wordt verwezen naar technische specificaties voor deze infrastructuur, die, als het gaat om interoperabiliteitsaspecten, in Europese normen moeten worden vastgelegd. Daartoe heeft de Europese Commissie de Europese organisaties voor normalisatie – CEN en CENELEC – verzocht deze normen te ontwikkelen, waaronder normen voor LNG-bunkering. Europese belanghebbenden hebben aangegeven dat ISO 20519 toereikend is om als Europese norm te aanvaarden. Daarmee wordt dit een nationale norm voor de 34 bij CEN aangesloten landen. De norm komt dan ook als NEN-EN-ISO 20519 beschikbaar.

Publicatiereeks gevaarlijke stoffen

Nederland heeft de afgelopen jaren veel kennis en ervaring opgedaan op het gebied van LNG-bunkering. De faciliteiten voor het bunkeren van LNG worden steeds verder uitgebreid. Een voorbeeld is de recentelijk geopende LNG-laadplaats bij Gate Terminal op de Rotterdamse Maasvlakte. Mede om de vergunningverlening van het bunkeren met LNG te harmoniseren en daarmee te vereenvoudigen, is PGS 33-2 ‘Afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor vaartuigen’ opgesteld die deel uit maakt van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Dit document is ook ingebracht in het ISO-proces en heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de uiteindelijk inhoud van de ISO-norm. Momenteel wordt PGS 33 herzien om de nieuwste ontwikkelingen op te nemen.

Staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) wil dat de wagens van treinen die gevaarlijke stoffen vervoeren verplicht worden voorzien van GPS-trackers. Dit is nodig, omdat vervoerders de wettelijk verplichte registratie van die stoffen in stilstaande treinen op emplacementen nu te vaak niet naleven. De brandweer moet in het geval van calamiteiten precies weten welke stoffen zich waar op het spoor bevinden. Dijksma wil daarom ook dat vervoerders die de registratieplicht bij herhaling onvoldoende nakomen de toegang tot het spoor wordt ontzegd. Dit schreef ze 15 februari aan de Tweede Kamer na een bijeenkomst met de spoorgoederensector in Dordrecht.

Stilstaande treinen

Vorig jaar riep staatssecretaris Dijksma de goederensector al op om de wettelijke registratieplicht voor gevaarlijke stoffen in treinen beter na te leven. Het vervoer van gevaarlijke stoffen voldoet in Nederland aan strenge internationale en nationale veiligheidsregels. Maar als er onverhoopt toch een incident plaatsvindt, is het belangrijk dat informatie over waar gevaarlijke stoffen zich bevinden klopt. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) stelt nu vast dat 75 procent van de wagens met gevaarlijke stoffen in stilstaande treinen op emplacementen correct geregistreerd is. Dit is een verbetering ten opzichte van de 60 procent score in 2015, maar de staatssecretaris wil meer tempo maken. Dijksma: ‘Het is in het belang van iedereen die op en rond spooremplacementen woont of werkt dat hulpdiensten in het geval van een calamiteit altijd precies kunnen zien welke stoffen zich waar bevinden. Ik wil daarom zoveel mogelijk tempo maken met het verbeteren van het informatiesysteem dat hiervoor nodig is.’

Rijdende treinen

Uit de ILT-cijfers blijkt ook dat de registratie van gevaarlijke stoffen in doorgaande treinen op orde is. Dit betekent dat van elke wagon met gevaarlijke stoffen op het doorgaande spoor met één druk op de knop precies duidelijk is wat waar rijdt. De reden dat de registratie bij stilstaande treinen op emplacementen minder goed op orde is, is dat hier meer menselijke handelingen zoals het loskoppelen, verplaatsen en opnieuw koppelen van wagons bij komen kijken. Om hier een einde aan te maken, neemt Dijksma nu een aantal maatregelen.

Van het spoor verbannen

Zo wil de staatssecretaris vervoerders verplichten apparatuur met locatiegegevens te plaatsen, bijvoorbeeld GPS-trackers, in wagens met gevaarlijke stoffen. Op die manier moet straks altijd en overal duidelijk zijn waar wagens met gevaarlijke stoffen staan en neemt de kans op fouten door menselijk handelen af. Voor vrachtwagens die mest vervoeren over wegen werd zulke apparatuur in 2015 al verplicht gesteld. Later dit jaar wordt duidelijk hoe deze plicht straks aan spoorgoederenvervoerders wordt afgedwongen.

Spoorbeheerder ProRail zal vervoerders die bij herhaling de fout ingaan en niet meewerken aan verbetering bovendien de toegang tot het spoor ontzeggen. De ILT inspecteert intensiever op het naleven van de registratieplicht door vervoerders. Boetes en lasten onder dwangsom worden verhoogd en vervoerders die hun registratie structureel niet op orde hebben worden straks vermeld op een openbare zwarte lijst. Onder leiding van ProRail blijven vervoerders, hulpdiensten en het ministerie van IenM ook de komende tijd intensief samenwerken aan een structureel beter informatiesysteem.

Er is donderdag groot alarm geslagen bij chemisch bedrijf Sonneborn Refined Products in Amsterdam-Amstelland. Bij het lossen van een tankwagen is volgens de Amsterdamse brandweer een kleine hoeveelheid zwaveltrioxide vrijgekomen.

Het ‘effectgebied’ is volgens de brandweer beperkt gebleven tot eigen terrein. Er is geen gevaar voor omliggende terreinen of gebouwen. Eerder werd wel geadviseerd om ramen en deuren gesloten te houden.

De A5 is vanwege het incident deels afgesloten.

Tweet van de brandweer van Amsterdam-Amstelland.

Tweet van de brandweer van Amsterdam-Amstelland.