Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!

Het klimaat en de energietransitie staan hoog op de politieke kalender. Dan mag je verwachten dat de kieslijsten voor de aanstaande parlementsverkiezingen daar enigszins op zijn ingericht. Maar zoals altijd rijst de vraag: Waar zijn de bèta’s?

Het is een bijzondere anekdote. Enkele jaren geleden, toen hij nog politiek leider was van de PvdA, gaf Diederik Samsom in de Tweede Kamer een bloemlezing over innovatie. Tijdens de Algemene Beschouwingen nog wel. Hij vertelde over zijn bezoeken aan drie technostarters, waaronder Flowid. Dit bedrijfje ontwikkelt de Spinning Disc. Een chemische reactor die op een keukentafel past en de reactie van processen versnelt met een roterende schijf. Op die manier worden grondstoffen sneller gemengd en versnelt de reactie. Even simpel uitgelegd. Van huis uit natuurkundige Samsom moest de voorbeelden in de Kamer vast ook simplificeren. Want op veel kennis van thermodynamica, de verschillen tussen gelijk- en wisselstroom en meer mocht hij – haast vanzelfsprekend – niet rekenen.

Camera

Inmiddels zit Diederik Samsom op een van de belangrijkste plekken van Europa, als het gaat om energietransitie. En hij zit daar prima, als rechterhand van Eurocommissaris Frans Timmermans. Dat blijkt ook wel tijdens interviews, zoals recent in het managementblad Petrochem. Daarin laat hij doorschemeren dat er in Den Haag daadwerkelijk een gebrek aan kennis is, als het gaat om bijvoorbeeld technologieontwikkeling. Niet onbelangrijk als het klimaat en de energie- en grondstoffentransitie hoog op de politieke agenda staan.

Bovendien stelt hij impliciet dat de nationale politieke cultuur en gebruiken degelijk werk regelmatig in de weg staan. Samsom: ‘In en rond de Europese Commissie wemelt het van de expertise. Daar was ik echt positief door verrast. Met Den Haag is er nog een ander verschil. Afwezigheid van hijgerigheid maakt het een stuk gemakkelijker om gestaag door te werken en goed werk te leveren. Ik hoef niet meer constant over mijn schouder te kijken of ergens een been is uitgestoken of een camera is opgesteld.’

Thoriumcentrale

Het is duidelijk. In de politiek worden niet altijd keuzes gemaakt op grond van inhoudelijke kennis en het beoordelend vermogen van de politici. Dat kan ook niet. Er zijn te veel onderwerpen en honderdvijftig mensen in de Tweede Kamer en enkele tientallen in het kabinet kunnen dat ook niet allemaal behappen. In ieder geval niet en detail. Natuurlijk krijgen zij steun van assistenten, de Eerste Kamer en bijvoorbeeld adviesraden. Maar ook die bieden niet altijd een consistente koers.

Zonder de hele discussie over bijvoorbeeld biomassa op te rakelen, laat die zien dat hoog aangeschreven adviseurs hun mening ook regelmatig bijstellen. Waarbij hun visie niet alleen wordt gevormd door nieuwe inzichten en feiten. Maatschappelijke druk en een verscheidenheid van belangen spelen ook mee. De boventoon in die discussies wordt niet altijd gevoerd door de echte experts.

Dat speelt ook mee tijdens verkiezingen. De verkiezingsprogramma’s komen deels tot stand in een mengeling van vooringenomen proposities, de strijd om de gunst van de kiezer en dus interessant klinkende beloftes. En natuurlijk ook enige kennis van zaken. Een silver bullet lijkt echter niet te bestaan. Daarom lijken de vooringenomen proposities en de gunst van de kiezer vaak leidend. De VVD wil stokpaardje kernenergie weer op de agenda, D66 spreekt over 6.000 windmolens van 10 megawatt op zee en Forum voor Democratie wil een thoriumcentrale, zonder enig proof of concept.

Negatieve emissies

Het is natuurlijk de vraag of de transitie is gebaat bij een discussie over de middelen. Veel ideeën die politiek tegen elkaar worden uitgespeeld kunnen wellicht naast elkaar bestaan en elkaar zelfs versterken. Bij transitie gaat het eerder om de uiteindelijke doelen en niet over vooringenomen voorkeuren voor middelen. Waterstof, offshore wind, geothermie, circulaire ketens, zonne-energie, biogebaseerde grondstoffen, CCS en veel meer staan niet op zichzelf, maar kunnen samen een mooie puzzel vormen. Dat idee leeft steeds meer bij deskundigen uit en rondom de industrie en energiesector. Daar komen termen als systeemintegratie en holistische benadering op, om niet uit te sluiten, maar juist te verbinden. Geen dogmatiek, maar technologie-agnosticisme. Geen absolute zekerheden vooraf, maar elke moment bekijken welke oplossingen de gewenste transitie dan verder brengen.

Daarbij rijst de vraag of we de belangrijkste keuzes in de energietransitie wel aan de politiek moeten overlaten. Moet er in Nederland niet een energie- en grondstoffencommissaris komen, die minder afhankelijk is van de waan van de dag en de relatieve korte termijnen van regerende coalities?

Het lijkt erop dat Diederik Samsom een dergelijke positie in Europa bekleedt. Misschien niet voor een langere termijn, maar wel weg van de waan van de dag. En vooral ook weg van vooringenomen proposities. Zou hij als partijpoliticus van de PvdA het afvangen en opslaan van CO2 in lege gasvelden hebben toegejuicht? Vanuit zijn huidige positie denkt hij dat we niet zonder dergelijke vormen van negatieve emissies kunnen, willen we de doelstellingen van Parijs halen.

Net-wel-net-niet-positie

Staat een VVD-er met inhoudelijke kennis over energietransitie eigenlijk niet veel dichter bij de ideeën van Samsom dan de partijlijnen van de liberalen en de sociaaldemocraten doen vermoeden? De meeste experts zullen namelijk voorzichtig zijn met het uitsluiten van oplossingen. Ze zullen meer van het systeem uitgaan, dan van de afzonderlijke middelen. Dat is complexer dan enkele keuzes in verkiezingsprogramma’s. Het lijkt daarom wellicht een goed idee dat de schaarse technische deskundigen binnen de verschillende nieuwe fracties, elkaar na half maart op gaan zoeken.

Om te identificeren waar de deskundigheid zit, heeft onder andere de VNCI de kieslijsten geanalyseerd. Een belangrijke conclusie: er staan weinig echte bèta’s op de lijst. En helemaal als je naar de kansrijke posities kijkt. Met een beetje geluk kunnen ongeveer twaalf kandidaten met een min of meer bèta-opleiding straks op het pluche terecht komen. Maar dat kunnen er ook beduidend minder zijn, omdat verschillenden op een net-wel-net-niet-positie zitten. Dus meer dan acht procent van het totale aantal Kamerleden zal het niet worden…

Complexiteit

Een zekerheidje lijkt Joris Thijssen. Na het vertrek van Lodewijk Asscher de nummer zes van de PvdA. Hij studeerde lucht- en ruimtevaart aan de TU Delft en komt van Greenpeace Nederland, waar hij tot afgelopen december directeur was. Daar is alvast een parallel te trekken met Samsom, die voor zijn politieke carrière ook bij Greenpeace vandaan kwam en aan de TU Delft studeerde. Ook VVD-er Peter de Groot is net als Thijssen nagenoeg zeker van een zetel. Hij studeerde onder meer aan de TU Delft en deed ook bij Instituut Clingendael onderzoek naar de oliereserves van Opec. Hij staat op nummer 24 bij de VVD.

politiek

Plant Manager of the Year 2019 Marinus Tabak (VVD) tijdens het verkiezingsdebat van de VNCI en VNPI, 26 januari.

Minder zeker is de positie van Marinus Tabak. De Plant Manager of the Year 2019 staat op nummer 41. Volgens de peilingen van half februari komt hij er dan net direct in. Bij regeringsdeelname van de VVD stijgen zijn kansen. En gezien zijn bekendheid in de industrie en ook in Noord-Nederland is een plaats op basis van voorkeursstemmen ook niet uitgesloten. De plantmanager van de RWE-energiecentrale van de Eemshaven heeft een internationale energie-opleiding gedaan en kent de complexiteit van de energietransitie van zeer dichtbij.

Boven de materie

Opvallende naam op de CDA-lijst – en in een vergelijkbare positie als Tabak – is Henri Bontenbal. Nummer 18 op de lijst. Ook hij is werkzaam in de energiesector, op de afdeling Strategie van netbeheerder Stedin. Ook is Bontenbal fellow bij het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Hij is ook al een tijdje zichtbaarder bij een grote groep van mensen die de energietransitie volgen. Bontenbal is onder andere columnist bij RTL-Z. Hij studeerde natuurkunde aan de Universiteit Leiden.

Raoul Boucke, de nummer tien van D66, lijkt meer marge te hebben. Momenteel staat die partij op ongeveer veertien zetels in de peilingen. Hij is een van de twee chemisch technologen op de lijst en studeerde aan de TU Delft. Hij is momenteel nog afdelingshoofd Duurzaamheid en Netwerkkwaliteit luchtvaart bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

De andere chemisch technoloog is Ellen Verkoelen. Zij is de nummer drie van 50PLUS. Daarmee lijkt zij het niet te redden. Al een tijdje komt deze fractie niet boven de twee zetels uit in de peilingen. Het is de vraag of 50PLUS überhaupt de kamer haalt. Ook voor Eppo Bruins van de Christen Unie wordt het kielekiele. Hij staat nummer zeven, terwijl de peilingen dat als maximum zien. Zes zetels voor de CU lijkt realistischer. Bruins studeerde experimentele natuurkunde. In een biografie stelt hij: ‘Ik ben een echte bèta. Die zie je niet zo vaak in de Kamer. Dat bètatalent wil ik inzetten. Ik ben bedreven in cijfers, maar doorzie daardoor ook andere structuren en systemen. Zo kun je soms even ‘boven de materie vliegen’ om vast te stellen wat er aan de hand is.’ Een interessant inzicht…

Openingsfoto: Henri Bontenbal (CDA) tijdens het verkiezingsdebat van de VNCI en de VNPI op 26 januari.

Dat techniek vele kanten kent, weet Hielke Weda maar al te goed. Hij adviseert als application engineer bij SMC Nederland bedrijven op het gebied van industriële automatisering. ‘De oplossingen die wij verkopen zijn zo divers, dat een vraag van een klant al snel een technische puzzel wordt. Als je dan samen met je team de oplossing vindt, geeft dat een kick.’

Hielke kreeg het goede voorbeeld van zijn vader die gasinstallateur was. Toch was hij naar eigen zeggen geen modelleerling. Toen hij op aanraden van zijn ouders voor een MBO4-opleiding koos, groeide de liefde voor techniek langzaam. De keuze viel op werktuigbouwkunde, waar hij via een stage in contact kwam met de luxe scheepsbouw. Zo leuk dat de zeevaartschool lonkte. Maar een jaar lang weg van huis en het leven aan boord van een gastanker en een cruiseschip bleken te veel te vragen van het sociale leven. ‘Als je ergens van leert, is het wel van het leven aan boord van een schip’, zegt Weda. ‘Je hebt nu eenmaal weinig spare parts aan boord en dus moet je creatief omgaan met wat je wel hebt. Op een cruiseschip moet je bovendien niet alleen verstand van motoren hebben, maar ook van alle randsystemen.’

Wat zijn de uitdagingen in je werk?

Weda: ‘SMC levert technische oplossingen voor een breed scala aan bedrijven. De oplossingen variëren van pneumatiek tot elektrische aandrijvingen, procestechnologie en nog veel meer. Het mooie is dat je de ene keer oplossingen bedenkt voor een halfgeleiderfabrikant, terwijl je de andere keer dezelfde soort apparatuur moet inzetten voor een tuinder of bijvoorbeeld een bierbrouwer. Je moet dus goed naar de klant luisteren en je verdiepen in diens problemen. Soms moet een klant bijvoorbeeld een product oppikken met een pick-and-place-robot, een machine die met behulp van vacuüm iets kan oppakken. Dan vraag ik een voorbeeld van het product op te sturen. Niks leuker dan in onze werkplaats testen te doen met een compressor en een vacuümgrijper.’

Wat is er zo leuk aan techniek?

Hoewel de techniek uitdagend genoeg is, haalt Weda het meeste plezier uit het samenwerken met collega’s en klanten. ‘Techniek is maar een deel van het werk dat je doet’, zegt Weda. ‘Je moet ook met een klant kunnen communiceren om diens vragen te kunnen vertalen naar een oplossing. Die oplossing zit  bij diverse afdelingen en productspecialisten, zodat je ook daar moet kunnen overbrengen wat de klant wil. Vroeger zag je veel meer onderscheid tussen het werk van werktuigbouwers en elektrotechnici. Tegenwoordig moet je van beide iets afweten en ook nog kunnen programmeren. Dat maakt het werk complexer, maar ook een stuk afwisselender.’

Kan je er nog meer mee?

Alsof het niet genoeg is, is Weda in zijn vrije tijd ook nog brandweerman. ‘Dat is een serieuze opleiding, maar wel een mooie afwisseling met mijn dagelijkse werk. Mijn technische achtergrond helpt wel degelijk, bijvoorbeeld als een dakbedekking loslaat of een auto moet worden opengeknipt. Je ziet bij de brandweer dan ook veel techneuten rondlopen. Die weten vaak net wat beter hoe ze een probleem moeten aanpakken.’

Techniekhelden

Techniekhelden zijn technici die onmisbaar zijn voor het bedrijf of die iets bijzonders doen of hebben gedaan met grote impact. Heeft u een collega die u in het zonnetje wilt zetten? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl

Jan-Willem van der Pol (Engie), Andries Visser (Philips) en Jochen Schulz (OCI Nitrogen) zijn de finalisten van de verkiezing Techniekheld 2020. Techniekhelden zijn technici die meer doen dan van ze wordt gevraagd, die continu bezig zijn zichzelf te verbeteren en die hun enthousiasme voor techniek over weten te brengen op anderen. Op vrijdag 9 oktober tijdens het congres iMaintain Techport 2020 maken wij de winnaar bekend.

Met de Techniekheld verkiezing zetten wij technici in het zonnetje en willen we anderen inspireren om ook voor een technisch vak te kiezen. Van der Pol, Visser en Schulz zijn allemaal aangemeld door hun bedrijf omdat ze onmisbaar zijn en hun bedrijf trots op ze is. Daarnaast weten ze anderen enthousiast te maken voor techniek. Hieronder stellen we de finalisten aan jullie voor.

Jan-Willem van der Pol

De 57-jarige Jan-Willem van der Pol is werkvoorbereider bij Engie Services. Maar daarnaast staat hij ook wekelijks een dag voor de klas bij het Techniek College in Rotterdam. In januari heeft hij daarvoor zijn diploma hybride instructeur behaald. ‘Het is leuk om in de laatste fase van mijn werk iets heel uitdagends ernaast te doen. Steeds meer bedrijven krijgen te maken met de schaarste aan technisch personeel, onder andere door vergrijzing. Ook voor de klas is er meer vergrijzing en staan docenten soms ver van de werkvloer af. In de energietransitie waarin we ons bevinden, hebben we nu juist extra handen nodig om samen die enorme uitdaging te kunnen oppakken. Door technisch personeel in te zetten als hybride instructeurs kunnen studenten enthousiast worden gemaakt voor de sector.’

techniekheld 2020

Jan-Willem van der Pol en Levi van Ree, eerstejaars mbo-student Middenkader Engineering (Da Vinci College, Dordrecht).

Industrielinqs nu 3 maanden gratis ontvangen?

Dit artikel komt uit de eerste editie van het Industrielinqs magazine, dat zich richt op de procesindustrie, energiesector en onderlinge infrastructuur. Met het magazine verbinden we industriële ketens zodat ze van elkaar kunnen leren. Belangrijke thema’s zijn: innovatie, energietransitie, onderhoud en veiligheid.

Gebruik kortingscode ILQS20GRATIS voor een gratis proefabonnement!

Van der Pol wil studenten graag een goede beroepshouding meegeven. ‘Dan bedoel ik op tijd komen, veiligheids-voorschriften goed volgen, pbm’s dragen, hoe werk je met bepaalde materialen, noem het maar op. Zo bereid je ze alvast voor op een toekomstige baan. Ik probeer dat veel te herhalen en laat regelmatig filmpjes over deze thema’s zien, om het tastbaar maken. Bovendien weten sommige studenten nog niet precies welke banen bij hun studierichting passen. Het is fijn te merken dat ze enthousiast worden door de praktijkverhalen die ik deel.’

Andries Visser

Andries Visser (32 jaar) denkt in toekomstige Industrie 4.0 oplossingen, inspireert collega’s, is een drijvende kracht binnen predictive maintenance en laat zien hoe mooi het onderhoudsvak is. Zijn collega’s hebben mooie woorden over voor Visser die maintenance engineer is bij Philips in Drachten. Als maintenance engineer is hij verantwoordelijk voor het onderhoud in het gedeelte van de fabriek waar scheerapparaten worden gemaakt. Daarnaast heeft hij een centrale rol in robotonderhoud en predictive maintenance en doet hij ook een studie technische bedrijfskunde.

techniekheld 2020

Andries Visser in de fabriek in Drachten, waar scheerapparaten worden gemaakt.

‘Toen ik begon, ben ik mij gaan verdiepen en specialiseren in het onderhoud van robots. We wilden onderhoud dat toen extern werd gedaan, zelf oppakken. Dat hebben we in goede samenwerking met de leverancier gedaan. Ook zijn we een opleiding gestart voor monteurs zodat zij het onderhoud zelf kunnen doen. Deze opleiding hebben we zelfs uitgerold naar onze Philips-site in Klagenfurt, waarmee we nog altijd goed contact onderhouden.’

Vanuit het robotonderhoud is hij samen met zijn collega’s ook veel bezig met predictive maintenance. ‘Daarbij denken we echt een stap vooruit om te voorkomen dat een robot stuk gaat en om zijn standtijd te verlengen. In de loop der jaren hebben we een enthousiast team gevormd, waarmee we predictive maintenance uitrollen in de fabriek. Het is mooi om anderen mee te krijgen in die flow.’

Jochen Schulz

Lead operator Ammonia Loading Jochen Schulz (49 jaar) werkt bij OCI Nitrogen op Chemelot en zet zich in om jongeren enthousiast te maken voor techniek. Hij geeft gastlessen, helpt bij een miniplant op een middelbare school, bij stages en meeloopdagen. ‘Het zijn mijn collega’s van de toekomst.’

techniekheld 2020

Jochen Schulz met student Ilse, die een dagje meeloopt.

OCI Nitrogen heeft een miniplant op een middelbare school in de buurt geadopteerd. ‘Die stond in de mottenballen’, legt Schulz uit. ‘Ik heb de hele installatie gecontroleerd zodat deze weer kon draaien en de ruimte aantrekkelijk gemaakt. Het was voor mij hobbymatig, ik vond het leuk om te doen. De miniplant is een verwarmingsproces met twee vaten waarin je alles uit de procestechniek tegenkomt. Voordat de leerlingen in de miniplant komen, spelen ze een game op hun computer waarin ze de plant leren kennen. Daarna mogen ze met twee of drie leerlingen de miniplant besturen.’

Schulz hoopt jongeren te kunnen prikkelen om voor techniek te kiezen. ‘Als ze interesse hebben, probeer ik daarom te regelen dat ze een kijkje kunnen nemen bij ons bedrijf. OCI Nitrogen ziet ook het belang. Want de leerlingen van nu zijn straks onze nieuwe medewerkers. Het zijn mijn collega’s van de toekomst. Het is mooi als we ons steentje kunnen bijdragen. Techniek is gewoon een heel mooie omgeving om in te werken.’

Verkiezing

Van alle finalisten worden filmpjes gemaakt die op dinsdag 6 oktober aan middelbare scholieren worden getoond tijdens de Techport Techniekweek. Samen met een vakjury bepalen zij de winnaar. Deze maken wij vervolgens op 9 oktober tijdens het congres iMaintain Techport 2020 bekend. Tijdens dit congres staat het Schaduwparlement van Onderhoud centraal. Wij hebben een eigen schaduwparlement opgericht. Op de tweede vrijdag van oktober dienen verschillende schaduwkamerleden moties, wetswijzigingen en begrotingsvoorstellen in die de staat van de Nederlandse assets moeten versterken. Zowel in de infrastructuur als in de industrie.
Debatteer met ons mee. Aanmelden kan via imaintain.info.

In opdracht van het ‘Nationaal Comité 4 en 5 mei’ gaan vmbo’ers en mbo’ers uit Nederland komend schooljaar een monumentale installatie ontwerpen, ontwikkelen en bouwen. Dit gebeurt vanuit Vakkanjers, een programma waarin studenten hun vakmanschap ontdekken en ontwikkelen.

In de challenge geven de teams eigentijdse invulling aan het begrip vrijheid. Bijvoorbeeld met licht, interactie en energie. De teams bouwen een eigen moNUment, de ontwerpen zijn verbonden met elkaar en kunnen elk jaar verder worden uitgebreid. Ontwerpeisen van de opdracht zijn naast de modulaire opzet onder meer gebruik van duurzame materialen en robuustheid.

Vakmanschap

In 2019 en 2020 viert Nederland 75 jaar bevrijding en vrijheid. Hoewel het aantal mensen met eigen ervaringen en herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog afneemt, blijkt uit onderzoek dat de oorlog nog altijd invloed heeft op de huidige mening over vrijheid. Naast het ontwikkelen van interesse en vaardigheden in vakmanschap is deze challenge erop gericht om te ontdekken hoe de huidige generatie jongeren denkt over vrijheid.

Over Vakkanjers

Vakkanjers is een initiatief van de technische sectoren om meer jongeren te interesseren voor techniek. Met Vakkanjers ontdekken en ontwikkelen jongens en meiden van het vmbo en mbo hun vakmanschap al sinds 1999. Dat doen ze aan de hand van realistische opdrachten voor een landelijke opdrachtgever. De leerlingen ontwikkelen naast technisch vakmanschap ook vaardigheden zoals initiatief nemen, teamwerk en klantcontact.

Uit onderzoek van technisch opleidingsinstituut ROVC blijkt dat de technische sector zich focust op drie belangrijke ontwikkelingen: de groeiende aandacht voor duurzaamheid, de toename van multidisciplinaire systemen en het kwalitatieve tekort aan technici. De resultaten zijn samengevat in de jaarlijkse TechBarometer die tevens laat zien dat er sprake is van economische groei.

Het onderzoek is uitgevoerd onder 969 personen uit de techniek. De TechBarometer laat voor het derde jaar op rij groei zien: bijna 60 procent van de respondenten geeft aan dat hun omzet in 2017 is gestegen. Het merendeel van de respondenten denkt dat deze stijging doorzet: 67 procent verwacht namelijk ook voor 2018 een omzetgroei. De economische groei zorgt ervoor dat er meer ruimte is voor investeringen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid.

Duurzaamheid

Bedrijven geven steeds meer prioriteit aan duurzaamheid. Of het nu gaat om het energieneutraal maken van hun gebouwen of het verduurzamen van hun productie. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar nieuwe isolatiemogelijkheden, zodat er minder energy waste is en bedrijven gebruiken vaker duurzame energiebronnen zoals water en wind. Dit heeft ook invloed op de vraag naar technici. Greuter: ‘Met name in de installatiewereld vinden verschuivingen plaats. De vraag naar installateurs voor waterpompsystemen, zonnepanelen en brandstofcellen zal fors toenemen, terwijl de vraag naar verwarmingsmonteurs afneemt.’

Multidisciplinaire systemen

Een tweede belangrijke trend is de ontwikkeling van zogenaamde multidisciplinaire systemen. Systemen functioneren niet langer op zichzelf maar worden met elkaar geïntegreerd. Dat vergt dus ook andere en nieuwe vaardigheden van het technisch personeel. ‘Het bouwen en aanleggen van systemen wordt minder relevant, terwijl service en onderhoud de boventoon gaan voeren. Een monteur moet ervoor zorgen dat het totale systeem optimaal werkt en blijft werken. Hij moet dus ook kennis hebben van alle verschillende disciplines die met elkaar geïntegreerd zijn’, aldus Greuter. 86 procent van respondenten denkt dat de marktontwikkelingen invloed hebben op de benodigde kennis en kunde van technici. Er is dus grote behoefte aan (bij)scholing van technische medewerkers. Zij moeten allround inzetbaar zijn én kunnen werken met allerlei nieuwe complexe en geautomatiseerde systemen. ‘Machines zijn steeds vaker aan het internet gekoppeld, systemen veranderen van mono- naar multidisciplinair en data-analyse speelt een steeds grotere rol bij het oplossen en voorkomen van storingen.’

Kwalitatief tekort

Verder ziet het ROVC dat kennis minder interessant wordt omdat alles overal en altijd is op te zoeken. Vaardigheden worden echter des te belangrijker. ‘De komende jaren neemt de complexiteit van problemen en storingen toe. Dat betekent dat er vooral vraag is naar technisch personeel met analytisch inzicht en probleemoplossend vermogen. De traditionele monteur zal zich moeten bijscholen en ontwikkelen om mee te kunnen in deze nieuwe rol. Ik denk dat het kwalitatieve tekort aan technici komend jaar groter is dan het kwantitatieve tekort.’
Bijna 75 procent van de respondenten geeft aan dat er de afgelopen vijf jaar een tekort aan technici was en voor de komende vijf jaar verwacht zelfs 79 procent een tekort aan technici. Veel bedrijven zijn in de crisis goede krachten kwijtgeraakt en moeten die tekorten nu weer aanvullen. Vooral in de (petro)chemie, de maritieme branche en de installatiebranche wordt de komende vijf jaar een tekort verwacht.

Het rapport TechBarometer is aan te vragen via e-mail. Klik hier voor meer informatie.

Het is inmiddels een veelgehoord probleem in de industrie: een tekort aan gekwalificeerde werknemers. Er is te weinig personeel beschikbaar dat is opgeleid voor de industrie van de toekomst. Inmiddels ziet ook de Nederlandse overheid dit probleem in, zo is te lezen in de ‘Smart Industry Implementatieagenda 2018-2021’ die begin februari werd gepresenteerd. Hierin staat dat nieuwe opleidingen nodig zijn om het huidige gat op te vullen, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor fieldlabs.

De Nederlandse industrie is sterk afhankelijk van de export. Het is daarom van groot belang dat de sector in hoog tempo inzet op de nieuwste productietechnologieën, geavanceerde software en moderne communicatietechnologieën. De overheid ziet hier ook de noodzaak van in. Samen met FME, TNO, VNO-NCW en de Kamer van Koophandel is het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in 2015 gestart met het uitvoeren van de ‘Actieagenda Smart Industry’. Hoewel daarmee de afgelopen jaren een start is gemaakt met de bewustwording omtrent digitalisering, is in de nieuwe ‘Smart Industry Implementatieagenda’ van dit jaar te lezen dat het hoog tijd wordt voor de volgende stap.

Het document wordt niet voor niets de ‘versnellingsagenda’ genoemd. Het moet bedrijven, werknemers, kennisinstellingen én de overheid helpen een sprint te trekken naar een digitale toekomst voor de industrie. Een belangrijk onderdeel binnen de agenda is het faciliteren van relevante opleidingen om zo de juiste kennis en vaardigheden te kunnen overbrengen op de werknemers van de toekomst. Het kabinet stelt hiervoor dit jaar 3,5 miljoen euro extra beschikbaar.

Slim onderhoud

Een belangrijke educatieve rol is weggelegd voor de fieldlabs, zo blijkt uit de versnellingsagenda. Er zijn in Nederland inmiddels 32 verschillende labs actief waar de afgelopen jaren concrete resultaten zijn geboekt op het gebied van nieuwe producten, verbeterde productieprocessen en bedrijvigheid. Het is dé plek waar opleiding en bijscholing wordt gefaciliteerd. Zo ziet ook Paul van Kempen, operationeel directeur van World Class Maintenance (WCM) en projectleider bij Fieldlab Campione. Hij is sinds de oprichting in 2015 betrokken bij het project dat een duidelijke visie nastreeft. ‘Dit fieldlab is ontstaan vanuit een behoefte uit de industrie, aangewakkerd door asset owners. Wat je ziet in Nederland, maar ook in de rest van West-Europa, is dat we vrij oude assets hebben. Natuurlijk moderniseer je door middel van goede onderhoudsprogramma’s, maar de boodschap is wel dat we het voorlopig nog even moeten doen met die oude assets. En er is dan eigenlijk maar één manier om te concurreren: slim onderhoud.’

Campione streeft ernaar om onderhoud binnen de industrie honderd procent voorspelbaar te maken. Om dit doel te kunnen bereiken, is het volgens Van Kempen nodig de huidige workforce kennis te laten maken met smart industry in een daarvoor ingerichte omgeving. Zodoende heeft het fieldlab een centraal lab in Gilzen en Rijen waar een test-installatie staat opgesteld. Alle partners kunnen hier gebruik van maken, zodat zij nieuwe technologieën kunnen testen alvorens deze worden geïmplementeerd in het eigen productieproces. Van Kempen: ‘Hiermee willen we met name bedrijven uit het mkb stimuleren om aan de slag te gaan met smart industry, zonder dat zij zelf een grote investering hoeven te doen. Ook kan de huidige werknemer op deze manier alvast ervaring opdoen met nieuwe technieken, zodat men kan inspringen als innovaties straks worden doorgevoerd.’

Samenwerken

Maar Van Kempen realiseerde zich bij de opzet van het project dat het niet alleen moet inzetten op het bijscholen van huidige werknemers. Ook studenten moeten de kans krijgen om kennis te maken met nieuwe technieken, in de praktijk. ‘We hebben verschillende scholen vanaf dag één bij het fieldlab betrokken. Over een paar jaar zullen innovaties weliswaar volledig op de markt zijn, maar het is dan ook zaak dat je mensen hebt die ermee kunnen omgaan. Zodoende lopen studenten, docenten en bedrijven hier gezamenlijk rond en werken gezamenlijk aan innovaties. De scholen hebben dat buitengewoon goed opgepakt. Met in het bijzonder ROC Tilburg en Avans Hogeschool, die inmiddels met een groot aantal studenten aan verschillende innovaties heeft meegewerkt.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Door de fijne samenwerking met enkele scholen is bij Van Kempen een idee ontstaan. ‘We zien bij workshops die we ook vanuit het fieldlab geven dat er bij de zittende workforce veel behoefte is aan nieuwe kennis. Zodoende wil ik in overleg met de scholen kijken of er een mogelijkheid bestaat de huidige groep werknemers iets te kunnen bieden, in combinatie met de opleiding die al vanuit het fieldlab bestaat.’

Maar Van Kempen realiseert zich ook dat niet iedereen direct staat te springen als het om bijscholing gaat. ‘Waar een monteur vroeger door een fabriek liep en bijna kon ruiken wat er met een machine aan de hand was, zal hij in de nabije toekomst erg veel bezig zijn met data. Dit toekomstperspectief dat als een bedreiging kan worden gezien, brengt een totale cultuurverandering teweeg binnen een organisatie. Het is daarom belangrijk dat je als bedrijf eerst genoeg draagvlak creëert voordat je personeel blootstelt aan nieuwe technologieën. Ofwel, stel de mens centraal.’

Successen

De projectleider van Campione snapt dat de bedrijven die nu meedoen aan het project vooroplopen met het digitaliseren van de industriële sector. Het is volgens Van Kempen daarom van belang dat je ook andere bedrijven stimuleert mee te doen, wederom om het draagvlak voor innovatie groter te maken. ‘Wij proberen goed in te zetten op communicatie rondom de successen die we boeken met ons project. Dat je laat zien dat er daadwerkelijk geld wordt verdiend. En dat je laat zien dat je ook mensen met veel ervaring en kennis kan inzetten om systemen met algoritmes te vullen met kennis.’

De subsidie van het fieldlab loopt in 2019 af, maar Van Kempen hoopt het project ook zonder steun vanuit de overheid te kunnen voortzetten. Zo wil hij naast het voorspelbaar maken van onderhoud ook aandacht besteden aan robotica en andere ontwikkelingen op het gebied van smart industry.

Wat doet Fieldlab Campione?

Campione heeft als doel om onderhoud binnen de industrie honderd procent voorspelbaar te maken. Volgens Paul van Kempen moet men af van de traditionele mix van preventief en correctief onderhoud. ‘Beide vormen zijn te duur. Zo ligt de productielijn bij correctief onderhoud vaak te lang stil, terwijl je bij preventief onderhoud vaak nog zaken hebt die een restlevensduur hebben, die dan niet volledig wordt uitgeput. We moeten dus kijken naar ‘conditie afhankelijk onderhoud’, ofwel ‘just in time’ onderhoud. Dit is een ouder concept, alleen zien we nu een doorbraak dankzij de smart industry. Zo worden sensoren kleiner, goedkoper en autonomer. En hebben we nu bijvoorbeeld toegang tot IOT-platformen (Internet of Things). Dat soort technologieën gecombineerd met conditie afhankelijk onderhoud, dat is waar het bij dit fieldlab om draait.’

Als ik toen had geweten, wat ik nu allemaal weet, zou ik dan een andere opleiding hebben gekozen? Ik denk het wel. De keuze zou in ieder geval makkelijker zijn geweest. Ik had echt geen flauw idee wat ik ‘later als ik groot was’ wilde worden. Binnenhuisarchitect, fotograaf, schrijfster of dramadocent? Ik heb overal aan gesnuffeld. En toen ik het echt niet meer wist, ben ik het leger in gegaan. Een mooie wereld, maar ook daar lag mijn toekomst niet.

In 2016 kwam ik bij Industrielinqs terecht en daardoor mag ik me al een tijdje in de wereld van de techniek begeven. Had ik op mijn achttiende maar geweten dat de toekomst hier begint. Alles waar we over een aantal jaren dankbaar gebruik van maken, wordt nu ontwikkeld, morgen getest en overmorgen in productie genomen. Zo krijgen we straks, door de technologie van Sekisui, een digitale waarschuwing voor overstekend wild op de autoruit. En de NS haalt live en precies op tijd treinen uit dienst die dreigen te gaan falen, doordat langs het spoor sensoren zijn geplaatst die de temperatuur van de lagers meten. Verder rijden we in de toekomst waarschijnlijk op waterstof en draaien we onze hand niet meer om voor zwaar tilwerk, dankzij het exoskelet dat we dragen of de robot die we hebben geprogrammeerd op topsnelheid.

Dit soort innovaties zijn de basis voor welvaart en vooruitgang. Voor een betere wereld en, doordat duurzaamheid in de industrie tegenwoordig hoog op de agenda staat, ook voor een milieuvriendelijkere wereld. Als ik toen had geweten dat dit zo’n boeiende wereld is, had ik andere keuzes gemaakt, zodat ik eerder zou zijn waar ik nu ben. Had ik maar een leraar gehad met een passie voor techniek. Mooi dat je af en toe zo’n docent treft. Iemand die de hele klas mee sleept op bedrijfsbezoek. Egbert-Jan Sol onderstreept in het hoofdinterview het belang van de samenwerking tussen scholen en het bedrijfsleven. Ik hoop dat bedrijven massaal de deuren openen voor deze docenten en hun leerlingen. Deze jongeren moeten zo vroeg mogelijk zien wat de wereld van techniek te bieden heeft. Zonde als zij over tien jaar zeggen: ‘Als ik toen had geweten…’

 

Reageren? laura@industrielinqs.nl

Er is al een aantal jaren sprake van een tekort aan bèta-technici. Het gaat daarbij niet alleen om hoogopgeleide bèta en technisch geschoolde mensen, maar vooral ook om vakmensen. Vanuit verschillende hoeken worden initiatieven ontplooid om oplossingen te zoeken voor dit probleem. Is een ‘passie voor techniek’ een voorwaarde en een rode draad in alle initiatieven?

Sommige bedrijven zoeken de oplossing in het verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten naar het buitenland. Het Financiële Dagblad schreef begin dit jaar ‘Maakbedrijven trekken naar India wegens groeiend gebrek aan Nederlandse ingenieurs’. Naar aanleiding hiervan zijn Kamervragen gesteld. In het antwoord, geformuleerd door staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, wordt erkend dat het tekort aan technisch personeel één van de redenen is. ‘Naast de factor arbeid (ander andere beschikbaarheid van goed opgeleid personeel), zijn ook andere locatiefactoren van belang, zoals bijvoorbeeld fiscaliteit, infrastructuur en kwaliteit van leven en leefomgeving.’

Maar de politici vegen het probleem niet onder het tapijt: ‘Uiteraard bereiken ons wel signalen dat voldoende beschikbaarheid van technisch geschoold personeel een aandachtspunt in het Nederlandse vestigingsklimaat is.’

Techniekpact

In 2013 heeft de Rijksoverheid samen met partners uit het onderwijs, de regionale overheden en het bedrijfsleven het Techniekpact gesloten. Doel van dit pact is om de aansluiting van het bèta-technisch onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren en zo het tekort aan technisch personeel terug te dringen. Een concrete afspraak die is gemaakt, is het invoeren en verder verankeren van Wetenschap & Technologie (W&T) in het basisonderwijs. Ook worden voor het basisonderwijs duidelijkere kerndoelen vastgelegd over wat van scholen wordt verwacht ten aanzien van het onderwijs omtrent techniek en digitale vaardigheden.

Gerald van Dijk is binnen de Hogeschool Utrecht als hoofddocent verbonden aan de lerarenopleiding techniek. Hij is blij dat het Techniekpact wordt doorgezet. ‘Het levert een aantal interessante en doelmatige initiatieven op.’

Wel maakt Van Dijk zich zorgen over de matige vertegenwoordiging van techniek in het vmbo-T en in havo/vwo. ‘Leerlingen kiezen wel natuurkunde, maar daar staan abstracte theorieën en het begrijpen van de toepassingen centraal. Techniek is wezenlijk een ander kennisgebied.’

Technasia

De Technasia vormen hierop een uitzondering. Dit is een onderwijsstroom voor havo en vwo waar de bètavakken centraal staan. Henk Leegwater, consultant bij Lexxin, zegt hierover: ‘Recent was ik in een technasiumklas: wat een gepassioneerde leerlingen! Ik liep helemaal vrolijk de school weer uit.’

Ook Van Dijk ziet de passie in het Technasium: ‘Een goed voorbeeld waarbij leerlingen veel ruimte hebben om passies te ontwikkelen.’ Toch moeten we volgens hem niet doorslaan met een focus puur alleen op die passie. Er zijn projecten om in het onderwijs meer passie centraal te stellen mislukt, vertelde Van Dijk tijdens het iMaintain jaarcongres: ‘De reden dat het daar op termijn vaak mis gaat, is dat men een achterhaald idee heeft over leren en onderwijzen. ‘De mens heeft een natuurlijke neiging tot leren’, zo is het dogma. Maar voor het leren van technische inhouden is meer nodig dan een natuurlijke drang. Op die scholen zijn roosters, vaklessen, voorgeschreven bronnen et cetera opeens verboden, want dat zou allemaal onnatuurlijk zijn. En steeds weer blijken de achterstanden die leerlingen dan oplopen, niet te kunnen worden weggewerkt in een paar maanden voor het examen.’

techniekToch zijn er ook voorbeelden waar passie wel een belangrijke rol speelt: ‘Er zijn nieuwe mogelijkheden om aan te sluiten bij de passie van leerlingen. Scholen waar men experimenteert met ‘Maker Education’ slagen er waarschijnlijk in om nieuwe groepen leerlingen te boeien voor techniek. Dat heeft te maken met digitalisering. Zo zijn er meer kansen.’

Digitaliseren

Egbert-Jan Sol zegt in het hoofdinterview in deze iMaintain dat iedere organisatie – de politiek, de bedrijven, de scholen, de vakbonden – de handschoen moet oppakken om het tekort aan bèta-technici gezamenlijk het hoofd te kunnen bieden. Voor bedrijven ziet hij een belangrijke taak weggelegd in het digitaliseren en het verslimmen van het bedrijfsproces. ‘De babyboomers stromen uit en die worden niet één op één vervangen. Maar als bedrijven investeren in nieuwe technologie is productiviteitsstijging met een factor twee toch haalbaar.’

Bij Philips in Drachten werken mens en robot nauw samen. Daarnaast heeft Maintenance Manager of the Year 2017 Binne Visser sterk ingezet op Smart Industry. ‘Nu al wordt veel informatie verzameld, geanalyseerd en gebruikt voor verbeteringen, maar over een jaar of vijf zullen de fabrieken in Drachten nog meer werken volgens de principes van Industrie 4.0. Verregaand gerobotiseerd zijn de fabrieken in Friesland al, maar dan zullen enorme hoeveelheden informatie naar verwachting worden ingezet om de productie continu en real time te monitoren en te verbeteren.’

Met de klas op pad

Voor de nieuwe generatie bij de bedrijven binnen stapt om hier te gaan werken met robots, iPads en virtual reality toepassingen, moeten zij worden opgeleid. ‘Maar dan moet op de basisschool de interesse voor techniek worden gewekt’, vertelt Ron Wever, clustermanager bagage Amsterdam Airport Schiphol, tijdens het Bovenhoud Symposium van de HU. ‘En daar gaat het nog wel eens fout. Want over het algemeen staat er een juf voor de klas, die niet zo veel met techniek heeft. Hoe moet zij overbrengen dat techniek reuze leuk is, als ze zelf die passie niet heeft?’

Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Astrid Marissen is docent ‘Design & Technology’ op het College Den Hulster in Venlo. ‘Ik geef les in ontwerpen en techniek op het vmbo. Regelmatig neem ik de klas mee op bedrijfsbezoek. Ik vind het goed dat leerlingen zelf zien en ervaren wat met techniek allemaal mogelijk is. Ik probeer te zoeken naar manieren om het vooral leuk en dynamisch te maken. Dus niet alleen een saaie theoretische les over zwaartekracht, maar vooral ook het bouwen van een zeepkist en zelf ervaren hoe zwaartekracht en G-krachten werken.’

Marissen zoekt binnen de school naar samenwerking met collega’s. ‘De vakken tekenen, natuurkunde en techniek kunnen elkaar versterken. De vakken zijn relevant voor elkaar en dat moet een leerling eigenlijk ook ervaren. Door te werken aan projecten met realistische ontwerpopdrachten is dit voor leerlingen meteen volledig duidelijk. Bijkomend voordeel is dat de ‘overlap’ tussen vakken tijd vrij maakt om het onderwijs meer inspirerend te maken en bijvoorbeeld uitstapjes, gastlessen en excursies in te plannen.’

Techniektalent

Om bij bedrijven goed beslagen ten ijs te komen, heeft Marissen zich verbonden aan TechniekTalent. Het doel van deze organisatie: Jongeren enthousiasmeren voor de techniek en daarmee technisch talent winnen voor de technische sectoren. In de regio zorgt TechniekTalent ervoor dat scholen en bedrijfsleven meer en intensiever met elkaar samenwerken. Leerlingen ontdekken hoe interessant techniek is. TechniekTalent wil jongeren een realistisch beeld geven van hun kansen in de wereld van techniek. Docenten krijgen meer en betere kennis over techniek. En het bedrijfsleven komt in contact met jongeren die in de toekomst misschien wel bij hen komen werken.

Ron Wever: ‘Door digitalisering wordt techniek sexy en dat is precies wat we nodig hebben.’ Ook Binne Visser denkt er zo over: ‘Dat het vak door alle nieuwe technieken een beter imago krijgt, daar geloof ik in, maar dan moeten we er wel voor zorgen dat jonge kinderen weten hoe het werkt in de techniek. Wij als technische industrie moeten de scholen helpen om te laten zien hoe leuk dit vak is.’

TechniekTalent kan hierin een schakel zijn. Zij zijn op zoek naar bedrijven die gastlessen willen verzorgen en bedrijven die open staan voor bezoek van schoolklassen.

tekst gaat verder onder de afbeeldingtechniek

Vakkanjers

Een mooi voorbeeld van een initiatief waar wordt gewerkt aan een goede aansluiting van theorie op praktijk, is Vakkanjers. Een initiatief van de technische sectoren om de instroom van goed opgeleide vakmensen te stimuleren. Leerlingen werken hier in opdracht van een bestaande organisatie aan een technisch product en hierbij is niet alleen aandacht voor technische uitvoerbaarheid maar ook voor andere vaardigheden zoals presenteren, samenwerken, initiatief nemen en klantcontact. Door een technische opdracht te verbinden aan de ontwikkeling van zulke skills, in de vorm van een bedrijfssimulatie, wordt volgens Vakkanjers gewerkt aan de gewenste vaardigheden van de vakmensen van morgen.

Volgens Egbert-Jan Sol is een goede technische basis belangrijk. ‘Er zijn in Nederland al diverse bedrijfsscholen opgericht.’ Hij noemt als voorbeeld de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht waar samen met het bedrijfsleven technologisch onderwijs wordt gegeven. ‘Diverse bedrijven participeren in de fabriek en geven onderwijs in de praktijk aan een nieuwe generatie technici.’ Sol vindt het belangrijk dat dit gezamenlijk wordt opgepakt. ‘Dat we straks een tekort hebben aan technici omdat we meer uitstroom dan instroom gaan krijgen, is een gezamenlijk probleem dat bedrijven samen moeten aanpakken. Hier moeten we niet met elkaar willen concurreren.’