Staatssecretaris Tamara van Ark (SZW) wil een verkenning voor een alcohol- en drugstest op de werkvloer houden. In eerste instantie richt zij zich op BRZO-bedrijven waar een zwaar ongeval grote maatschappelijke gevolgen kan hebben. VNCI, de vereniging van de chemische industrie in Nederland met veel leden die onder BRZO-regels vallen, vraagt al geruime tijd om zo’n wettelijke grondslag en denkt graag met het ministerie mee over de verdere vormgeving.

VNCI ziet graag een voortvarende aanpak zodat bedrijven hun verplichting kunnen nakomen, namelijk om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om een zwaar ongeval te voorkomen. BRZO-bedrijven vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015. “Waar zich grote veiligheidsrisico’s kunnen voordoen doordat werknemers onder invloed verkeren van alcohol of drugs moeten deze werknemers van de werkvloer geweerd kunnen worden. Niet alleen voor hun eigen veiligheid, maar ook voor die van hun collega’s”, verwoordt de staatssecretaris in haar brief aan de Tweede Kamer.

Wettelijke grondslag nodig

Volgens de Autoriteit Persoonsgegevens kan het afnemen van een alcohol- en drugstest alleen met een wettelijke grondslag. Die grondslag is er wel voor bijvoorbeeld boordpersoneel van vliegtuigen of deelnemers aan het wegverkeer. Voor personeel van bedrijven waar gewerkt wordt met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen bestaat deze nog niet. Deze kunnen hun alcohol-, drugs- en medicijn (ADM)-beleid nog niet effectief vormgeven. Daarom bestaat de behoefte om als sluitstuk van dat beleid eventueel ook te kunnen testen, vooral in risicovolle beroepen.

Met de brief aan de Tweede Kamer erkent de staatssecretaris de noodzaak voor een wettelijke grondslag. Er kunnen nu concrete stappen gezet worden om te kijken in welke gevallen en hoe dit mogelijk gemaakt kan worden. Daarbij is het belangrijk – voor werkgever én werknemer – dat er duidelijke voorwaarden worden geformuleerd waaronder de inbreuk op privacy van de werknemer gerechtvaardigd is en moet er in goede waarborgen zijn voorzien. Het zal ook alleen als sluitstuk op een ADM-beleid kunnen gelden.

Hierover zijn in de afgelopen tijd diverse gesprekken gevoerd met sociale partners in de Stichting van de Arbeid om te bezien in welke specifieke gevallen behoefte en noodzaak bestaat aan het afnemen van een alcohol- en drugstest.

Veilig werken

Werkgevers en werknemers zijn samen verantwoordelijk voor veilig en gezond werken en zij werken samen bij de uitvoering van het arbobeleid. Onderdeel van dit beleid is het tegengaan van gebruik (of verkeren onder invloed) van alcohol en drugs op het werk. Samen met medicijngebruik valt dit onder het zogenoemde ADM-beleid. Gezien de risico’s die verbonden zijn aan het werken op een BRZO-locatie, is dit in het belang van alle medewerkers. Veiligheid voor iedereen binnen een duidelijk wettelijk kader is het uiteindelijke doel.

Daarnaast past het terugdringen van alcohol- en drugsgebruik binnen het Nationaal Preventieakkoord dat VNO-NCW/MKB-Nederland samen met de ministeries van VWS en SZW onder de naam Vitaal Bedrijf zijn gestart.Dit programma richt zich erop zoveel mogelijk bedrijven en organisaties integraal en structureel te laten werken aan een gezonde leefstijl van werkenden. Het terugdringen van alcohol- en drugsgebruik is één van de speerpunten.

De chemische industrie is energie-intensief en zal ook in de toekomst veel energie nodig blijven hebben. Dat neemt niet weg dat de bedrijfstak samen met de overheid daadkrachtig kan en wil bijdragen aan de transitie naar een duurzame CO2-arme samenleving. Dat laten VNCI-voorzitter Mark Williams en VNCI-directeur Colette Alma weten in een brief aan informateur Edith Schippers. 

De Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie roept de onderhandelaars voor een nieuw kabinet op om in het toekomstige klimaatbeleid CO2-reductie als primair sturingsinstrument op te nemen. Daarnaast vraagt de vereniging om de nationale investeringsbank Invest-NL primair te richten op verduurzaming en om het Topsectorenbeleid krachtig door te zetten.

Alma: ‘Door een eenzijdige focus van het Nederlandse klimaatbeleid op duurzame energieopwekking zoals de bouw van windmolenparken en het benutten van biomassa voor energiecentrales laat de overheid kansen liggen. Daarom vragen wij de informateur om in het regeerakkoord waar het gaat over klimaatbeleid, CO2-reductie als primair sturingsinstrument op te nemen.’

Samenwerken en investeren

Dergelijke bijdragen aan het klimaatbeleid vragen van de chemie grote financiële, technologische en organisatorische inspanningen. Alma: ‘Onze bedrijven zijn zeer bereid die bijdragen te leveren, maar zijn daartoe uitsluitend in staat als de overheid optreedt als mede-investeerder en een actieve regie voert in de totstandkoming van bijvoorbeeld een warmtemarkt en de aanleg van relevante infrastructuur. De overheid is eveneens een onmisbare partner bij het ontwikkelen van producten op basis van hernieuwbare grondstoffen zoals biomassa en hergebruik van chemische stoffen. Zonder risicoafdekking door de overheid via een nationale investeringsbank, komen de honderden miljoenen euro’s niet beschikbaar voor grootschalige demoprojecten, pilotplants en nieuwe fabrieken die noodzakelijk zijn om nieuwe duurzame productietechnieken op te schalen, in de markt te zetten en om banen in Nederland te creëren.’

Topsector

Tot slot geven Williams en Alma in hun brief aan dat door co-creatie van bedrijfsleven, kenniscentra en overheid, met voortzetting van het Topsectorenbeleid, Nederland zich kan ontwikkelen tot een proeftuin en voorloper in duurzaamheid met relevante producten en diensten voor de wereldmarkt. Alma: ‘Duurzaamheid kan dé drijver worden van een nieuw en succesvol Nederlands industrie- en handelsbeleid.’